De 25 Nederlandse schaakgrootmeesters door Hans Meijer
Een interessante vraag is wie zoal de eerste schaakgrootmeesters van de landen van Europa zijn. Een van de weinige landen waarvan ik het uit mijn hoofd wist was Groot Britannië. In 1971 was een geldprijs van £5000 uitgeloofd voor de Britse schaker die als eerste door de FIDE tot grootmeester benoemd zou worden. Tony Miles won deze prijs in 1976. Stuur een telegram als het je gelukt is, had de secretaris van de British Chess Federation tegen hem gezegd. Het telegram dat Miles de BCF stuurde bevatte een enkel woord: ´Telegram.´ (The Reliable Past. Genna Sosonko, 2003).
Opmerkelijk is dat in 1976 Nederland al vier grootmeesters telde: Max Euwe (1950; samen met 26 andere spelers waaronder Botwinnik, Bronstein, Smyslov, Keres, Najdorf, Grünfeld en Rubinstein), Hein Donner (1959), Jan Timman (1974) en Genna Sosonko (1976).
In feite waren het er niet vier maar vijf. De vijfde was Lodewijk Prins die zes jaar later in 1982 de GM titel retroactief kreeg. Zijn topjaren waren vlak na de oorlog. Zo won hij in 1948 het Hoogovens toernooi, eindigde hij een jaar later in Venetië na Szabo en Rossolimo op de derde plaats en won hij in Madrid 1951 voor zeventien andere spelers (De zuiverste liefde is die tussen een man en zijn paard. Max Pam. 1975; maxpam.nl/archief/prins.html). Prins verloor zijn status van ´kroonprins´ door in 1951 met grote cijfers een korte match van ´koning´ Donner te verliezen. (Koning Donner, Keizer Euwe, Prins Prins. Alexander Münninghoff, 2002). In 1965 lukte het Prins kampioen van Nederland te worden. Dit tot ergernis van Donner met wie hij sinds de schaakolympiade in Helsinki 1952 een vete onderhield (De Koning. J.H. Donner, 1987). Twaalf keer kwam Prins voor Nederland op schaakolympiades uit. Timman deed dit tot nu toe dertien en Donner elf keer. De weigering van de KNSB om hem in 1970 voor de olympiade in Siegen uit te nodigen leidde tot een breuk tussen de intransigente Prins en de, volgens Max Pam, naargeestige schaakbond.
Stomtoevallig was het Donner die het FIDE congres van 1982 waarop Lodewijk Prins met terugwerkende kracht de grootmeester titel kreeg als afgevaardigde voor Nederland bijwoonde. In Schaakbulletin deed hij op hilarische wijze verslag van dit voor hem wel zeer onverwachte nieuws. Ooit had Donner geschreven dat Prins geen paard van een loper kon onderscheiden. Nu schreef hij over Prins: ‘Hij heeft het verdiend. Zeker!’. (Zie ´Repeat, please!´ in Hartversterkende schimpscheuten. Alexander Münninghoff, 1985). Vele jaren lang had Prins een schaakrubriek in het Parool. Vaak heb ik deze gelezen en het is jammer dat er nooit een gebundelde versie van zijn rubrieken gepubliceerd is. Samen met Euwe schreef hij in 1949 een diepgravend boek over het schaakfenomeen Capablanca. Beter gezegd, Prins schreef het en Euwe was de coauteur. Bijzonder is het als er een openingsvariant naar je vernoemd wordt en nog bijzonderder is het als deze variant een grote populariteit geniet. Prins is dat in het Grünfeld Indisch met een hem typerende excentrieke zet gelukt (7…Pa6; zie o.a. Piket-Kasparov, Amsterdam, 1995).
Er zijn nog 20 Nederlandse grootmeesters. Ik geef hun namen en het jaar van hun titel: Hans Ree (1980; Zie ´Ree Grootmeester´ van Smit in Hartversterkende schimpscheuten. Alexander Münninghoff, 1985), John van der Wiel (1982), Ivan Sokolov (1987), Jeroen Piket (1989; inactief), Paul van der Sterren (1990), Sergey Tiviakov (1991), Loek van Wely (1992), Friso Nijboer (1993), Dimitri Reinderman (1998), Erik van den Doel (1998), Dennis de Vreugt (2000), Harmen Jonkman (2002), Jan Smeets (2004), Zhaoqin Peng (2004), Daniël Stellwagen (2004), Karel van der Weide (2005), Erwin l´Ami (2005), Jan Werle (2006), Yge Visser (2006) en Sipke Ernst (2006).
Vier van hen, van Wely (34), Sokolov (44), Tiviakov (67) en Stellwagen (92) staan in de FIDE top 100 (juli 2007). Eigenlijk vijf als we Jeroen Piket (100) ook meetellen.
