De eerste 100 dagen van een Amerikaanse president of een Nederlandse regering tellen anders dan de rest van de regeerperiode. De eerste 100 dagen mogen worden gebruikt om een beetje te wennen, alle dossiers onder de knie te krijgen, de organisatie naar de hand te zetten, de juiste personen op de juiste plaatsen te krijgen en onruststokers de mond te snoeren. In Amerika moet daarvoor een groot deel van het overheidsapparaat worden vervangen. In Nederland loopt het niet zo’n vaart, want op de departementen vinden officieel geen politieke benoemingen plaats. Toen Balkenende aankondigde dat van het nieuwe kabinet de eerste 100 dagen geen opvallende beleidsinitiatieven mogen worden verwacht, fronste menigeen dan ook zijn wenkbrauwen: wat gaan ze dan doen? Het antwoord was dat de nieuwe bewindspersonen het land in willen trekken om overleg te voeren met de sociale partners en maatschappelijke organisaties. In Nieuwe Gezamenlijkheid zullen de plannen uit het coalitieakkoord worden geconcretiseerd tot nieuw beleid. Ik behoor niet tot de mensen die nu al zeggen dat deze aanpak niets zal opleveren. Dat het tijdsverspilling is, dat je van een regering “tenminste” mag verwachten dat zij weet wat er in het land aan de hand is en dat ze direct moet beginnen met regeren omdat er zoveel te doen is. Nee, ik vind het wel goed dat het fortuynistisch ongeduld van oppositionele politici en haastige journalisten wordt weerstaan en dat er wordt gezocht naar een breed maatschappelijk draagvlak. Dat voordeel van de twijfel gun ik het nieuwe KNSB-bestuur, dus waarom ook niet de Nederlandse regering? Het nieuwe KNSB-bestuur is op 25 november 2006 door de Bondsraad benoemd. Dat is 95 dagen geleden. Sindsdien hebben we bitter weinig van de nieuwe club gehoord. Geeft niets. Ik ga ervan uit dat er stevige plannen worden gemaakt, op grond van de nota “Opening naar de toekomst” die in de Bondsraad is besproken en die gezien kan worden als het regeerakkoord van het nieuwe bestuur. Enkele dagen geleden, op 1 maart, is de nieuwe directeur van het Bondsbureau in dienst getreden. Het departement is net op orde. Inderdaad, in de eerste 100 dagen mag je niet al te veel verwachten, maar daarna moet het in schaakland gaan bruisen van nieuwe initiatieven en activiteiten. Over een paar dagen gaat er een gezonde, frisse wind waaien. Als het lente wordt, komt het schaken tot bloei. Op scholen wordt geschaakt, op affiches in bushokjes staan schaakprobleempjes, bejaarden zitten op een bankje in het park te schaken, op het Plein geeft een grootmeester een simultaan. Politici, bewindslieden en maatschappelijke organisaties schuiven aan (“samen een potje schaken”), want juist in hun eerste 100 dagen hebben zij de kans een hechte band met de schaaksport te smeden. De toekomst ziet er zonnig uit.