De Grootmeestertitel door Henk Alberts
Op dit moment, anno 2008, is een Grootmeester een schaker die meer dan 2500 Elopunten behaald heeft en die (doorgaans) drie Grootmeesternormen over minimaal 27 partijen heeft behaald. Iemand die de titel Grootmeester eenmaal behaald heeft, behoudt die titel voor zijn verdere leven. Als het derde Grootmeesterresultaat behaald is en de speler op enig moment een virtuele (niet noodzakelijk gepubliceerde) rating van 2500 (2300 voor WGM) heeft gehad, dan kan de titel bij de FIDE worden aangevraagd. Tijdens een FIDE-congres worden de titels officieel vastgesteld.
In 1950 (reeds voorbereid in 1949) voerde de FIDE de Grootmeestertitel in. Als eerste werden de 5 deelnemers van de kandidatenmatches benoemd tot Grootmeester. En uiteindelijk waren er aan het einde van dat jaar 1950 27 spelers tot Grootmeester benoemd. Dat waren allereerst Botwinnik (de Wereldkampioen), Boleslavsky, Bondarevsky, Bronstein, Euwe, Fine, Flohr, Keres, Kotov, Lilienthal, Najdorf, Reshevsky, Smyslov, Ståhlberg en Szabó. En daarnaast een aantal nog levende spelers welke geacht werden in het verleden het grootmeesterniveau gehad te hebben: Bernstein, Duras, Grünfeld, Kostić, Levenfish, Maróczy, Mieses, Ragozin, Rubinstein, Sämisch, Tartakower en Vidmar.
De aanduiding Grootmeester in het schaken is natuurlijk ouder dan 1950. Vaak wordt de oorsprong van deze term Grootmeester aan Tsaar Nicholas II van Rusland toegeschreven. Zie bijvoorbeeld ook de volgende tekst op de Engelstalige Wikipedia (de interactieve encyclopedie):
The title "Grandmaster" was first formally conferred by Russian Tsar Nicholas II, who in 1914 awarded it to five players: Lasker, Capablanca, Alekhine, Tarrasch and Marshall. All five were finalists of the famous 1914 Saint Petersburg tournament which the Tsar had partially funded. The tournament was won by Lasker ahead of Capablanca. Lasker was the reigning world champion, Capablanca and Alekhine would become future world champions, and Tarrasch and Marshall were both world championship finalists.
Vrij vertaald: “De titel Grootmeester werd formeel voor het eerst toegekend door Tsaar Nicolaas II die deze titel in 1914 voor het eerst toekende aan de
|
vijf spelers Lasker, Capablanca, Aljechin, Tarrasch and Marshall. Alle vijf waren de finalisten van het toernooi in 1914 in Sint Petersburg ….. (enz.)”
Een beetje geschiedkundige achtergrond: Nicolaas II Aleksandrovitsj (1868-1918) was de laatste tsaar van Rusland. Hij was de zoon van tsaar Alexander III en een kleindochter van koningin Victoria van Engeland. Hij was getrouwd met Alexandra Fjodorovna en ze kregen vier dochters Olga, Tatjana, Maria, Anastasia en een zoon Aleksej. Deze enige zoon en troonopvolger leed aan hemofilie, een erfelijke bloedziekte, reden waarom de familie de sinistere monnik Raspoetin in huis haalde. Ten gevolge van de Russische Revolutie werd Nicolaas II gedwongen afstand van de troon te doen. In de nacht van 16 juli op 17 juli 1918 werd de hele tsarenfamilie op bevel van de Sovjets geëxecuteerd.
|
|
Manuel Nepveu sloeg mij bijvoorbeeld met de Wikipedia-tekst (figuurlijk) om de oren, toen ik destijds durfde te schrijven, dat Tarrasch de uitvinder van de term Grootmeester zou zijn. (En Manuel voerde bovendien nog wat boektitels ter lezing (en lering) daarbij aan.)
Waarop gaat het verhaal van Tarrasch terug? Siegbert Tarrasch (1862- 1934) stierf op 17 februari 1934 in Munchen en ligt aldaar begraven op het Nordfriedhof in Munchen. (Zie afbeelding.)
|
Siegbert Tarrasch is evenals Adolf Anderssen geboren in het toen nog Duitse Breslau. (Breslau was hoofdstad van Schlessien en werd pas na de 2e Wereldoorlog Pools.) Siegbert Tarrasch was Duits kampioen in 1889, 1892 en 1894. Hij heeft een redelijk een-voudige grafsteen met het inschrift: Dr. Siegbert Tarrasch Artz und Schach Grossmeister 5-3-1862 17-2-1934 Dit boven een afbeelding van een schaakpaard tegen de achtergrond van een schaakbord met daarnaast en daaronder nog het inschrift: Praeceptor Germania
In verschillende bronnen staat vervolgens dat dit begrip “Grossmeister” niet toevallig op dit graf van Siegbert Tarrasch staat. Reden hiervoor zou zijn, dat Tarrasch de eerste zou zijn geweest, die de term ‘Grootmeester’ gebezigd zou hebben. Dit zou gebeurd zijn bij het toernooi Oostende 1907 in het door hem bij die gelegenheid geschreven toernooiboek. De term stond in Ostende voor de top 6 van dit toernooi die een onderlinge zeskamp speelden. Indien waar, dan dus een aantal jaren voordat Tsaar Nicholas II in 1914 deze term bezigde. |
|
Het heeft een paar jaar geduurd voordat ik op een bijeenkomst van de GSM in Duitsland het toernooiboek Oostende 1907 op de kop kon tikken (uiteraard bedoel ik de herdruk uit 1975). Het is een door toernooiwinnaar Siegbert Tarrasch zelf geschreven boek. Zoals hij schrijft: “naast het meestertoernooi, damestoernooi en het hoofdtoernooi was er een Grootmeestertoernooi. Uitgenodigd werden de 6 sterkste spelers van de wereld, Yanowsky, Marshall, Schlechter, Tarrasch, Maroczy en wereldkampioen Lasker.” De beide laatste namen de uitnodiging echter niet aan. Daarom werden in hun plaats Burn en Tschichorin uitgenodigd. In de ogen van Tarrasch een fout. Immers “hoewel de heren Burn en Tschichorin in het verleden zeer succesvol geweest zijn, …. een dergelijk groot toernooi zijn ze niet meer tegenop gewassen.”
Pagina 9;
“Schon im vorigen Jahre tauchte der Plan auf, ein separates Turnier zwischen der erfogreichtsten Schachmeister der Gegenwart zu veranstalten, ………… Allein beidemal scheiterte der Plan an der absage einiger Grossmeister.”
Pagina 10:
“Das Komitee (von Ostende) hat deshalb den Plan, …… wieder aufgenomen, nämlich die Veranstaltung eines Turniers für sechs der Grossmeister, die bisher die grossten Erfolge aufzuweisen haben.”
De 6 deelnemers speelden elk 4 partijen tegen elkaar. Men speelde 5x per week, dagelijks van 10.30 tot 14.30 en van 15.45 tot 18.45. Het speeltempo in die tijd was 30 zetten in de eerste 2 uur, daarna 15 zetten per uur. ►
|
Tarrasch wint het toernooi met 12,5 punt voor Schlechter 12, Yanowsky en Marshall 11,5, Burn 8 en Tschichorin 4,5. Tarrasch laat ook niet na om er op te wijzen, dat er na dit kampioenstoernooi zeker een tweekamp Lasker – Tarrasch diende te volgen. Die tweekamp kwam er ook. Siegbert Tarrasch speelde in 1908 nog een match om de wereldtitel tegen Emanuel Lasker. Maar Tarrasch was al over zijn hoogtepunt heen en verloor met 8-3 (+ 5 remises.) (Maar dat is een ander verhaal.)
Kortom: het verhaal op Wikipedia kan (virtueel dan) de prullenbak in; Tsaar Nicholas II was niet de uitvinder van de term Grootmeestertitel. Siegbert Tarrasch was eerder; de claim op zijn graf is terecht. Was hij immers niet de winnaar van het eerste Grootmeestertoernooi in 1907!!
Ik zit in dit bewijs echter nog wel met een ‘pijntje.’ De term Grootmeester wordt in de tekst |
|
in dit toernooiboek door de toch zeer trotse Tarrasch zo terloops en vanzelfsprekend gebruikt, dat ik toch met het gevoel blijf zitten, dat de term niet alhier door hem is uitgevonden, doch dat deze term in die tijd toch al gebruikelijker en dus ouder is. Bewijs heb ik daar echter niet voor. Dus wie voelt zich uitgedaagd?



