In het jaar 1989 won Shell het HSB-bedrijvenkampioenschap. Ik maakte deel uit van het succesvolle slagersgilde. Dat betekende dat ook ik na afloop van het evenement bij de cadeautafel werd ontboden. Mijn oog viel toen op een boekje dat een paar jaar eerder in facsimile was uitgebracht door boekhandel van Stockum in verband met de opening van hun “Denksportenkelder”.
“Schaakmeesters”, geschreven door G.W.Kloosterboer uit Deventer in 1925, bevat “biografieën en partijen van groote meesters”, zoals op het titelblad staat. De schrijver behoorde indertijd tot de vaderlandse schaaktop. Via internet heb ik kunnen achterhalen dat hij landmeter was van beroep, in Friesland en later in Deventer werkzaam. Tot mijn stomme verbazing blijkt er een rabiaat gambiet je naar deze vrij onbekende amateur te zijn genoemd: 1 e4, d5 2 ed5x, c6 3 dc6x, e5. Dit geeft maar aan met wat voor beestje we te maken hebben en dat is voor het vervolg niet zonder belang.
Stelt u zich eens voor, het is 1925. U hebt de taak op u genomen om een boekje samen te stellen over de meest aansprekende dode en levende schakers. U krijgt van de uitgever maar zo’n zeventig pagina’s tot uw beschikking. Hoe zou uw keuze dan uitpakken? Ik neem aan dat Morphy, Anderssen, Steinitz, Capablanca en Lasker hun opwachting zouden maken. Eigenlijk geen ontkomen aan. Misschien zou u ook Paulsen een plaatsje gunnen en Zukertort. Maar zou u plaats inruimen voor von Kolisch, Neumann en Breyer? Kloosterboer deed dat in elk geval wel. In de 1992-uitgave van de Oxford Companion to Chess is aan elk van de heren een lemma gewijd en dat betekent zonder twijfel iets. Breyers naam is trouwens vereeuwigd via een variant in het Spaans. Maar welke clubschaker van nu heeft er nog gehoord van von Kolisch en Neumann?
De laatste twee (!) pagina’s gaan over de dan jongste generatie meesters, de vertegenwoordigers van de “nieuwe romantiek”. De namen van Réti en Bogoljubow vallen. Van Aljechin worden twee partijen getoond; een daarvan is zijn partij tegen Fahrni, waarin hij de Franse Chatard-Aljechin variant op de kaart zet. Kloosterboer ziet wel wat in Aljechin : “…Zal hij het zijn voor wien Caïssa, de goddelijke, reeds haar armen spreidt?”. Anno 1925 kon je zoiets nog onbekommerd opschrijven.
In het boekje ontbreken ook namen. Philidor is kennelijk te belegen voor Kloosterboer, maar echt opvallend is pas dat noch Tarrasch noch Pillsbury een hoofdstukje wordt gegund. Op de allerlaatste bladzij komt de mogelijke reden om de hoek kijken, verstopt in het commentaar op de partijen van Aljechin. “Hoe vol leven en frisch zijn deze partijen, vergeleken bij het zware positiespel van een tien, twintig jaar geleden! “. Aha, dat krankzinnige gambiet! En nu begrijpen we ook dat hij voor von Kolisch en Neumann wél plaats inruimt en voor Tarrasch en Pillsbury niet.
Het onverholen misprijzen van Kloosterboer staat overigens niet op zichzelf. De schaakhistoricus Murray, wiens magnum opus uit 1913 in enkele van mijn columns uit 2004 reeds aan de orde kwam, schrijft op de allerlaatste bladzij daarvan: “The Modern School is dull and unenterprising in comparison with the school which it has displaced…”. Toch is er een subtiel verschil. Murray ziet anno 1913 niet hoe het verder zal gaan, Kloosterboer wijst anno 1925 enthousiast naar de “nieuwe romantici”. Twaalf jaar na Murray was er weer perspectief voor de romantische schaker.
Kloosterboer kan niet volledig hebben beseft wat er groeide en bloeide terwijl hij zijn boekje schreef. Rond de tijd dat het uitkwam schreef een zekere Nimzowitsj het voorwoord voor een boek dat het schaken diepgaand zou beïnvloeden. En in Amsterdam rees een mondiale ster, van wie onze landmeter overigens al wel gehoord moet hebben.
Tijdens het NK van 1926, dat Euwe met 10 uit 11 wint, mag Kloosterboer het tegen hem opnemen . Hij wordt bij die gelegenheid als het ware op zijn wenken bediend, want de ontmoeting Euwe-Kloosterboer levert geen zware positiepartij op, de landmeter uit Deventer wordt simpel weggetikt. Het lijkt een symbolische daad, want Kloosterboer verdwijnt hierna geruisloos uit de vaderlandse schaakhistorie. Ik heb althans geen enkele latere verwijzing naar hem kunnen vinden.
