De stellingen van Gerhard

De stellingen van Gerhard

De stellingen van Gerhard              Willem Broekman

 

Zoals bekend sluit Gerhard Eggink zijn mail en artikelen af met stellingen. Altijd uit de koker van Donner. Bijgaand een bloemlezing, verzameld door Willem Broekman.

"Maar juist toen iedereen in afgrijzen zijn gelaat afwendde van deze dodelijke val, vingen zijn oude instincten hem weer op en hij redde zich nog juist". (J.H.Donner, januari 1978)

"Wilt u kans hebben op een heel of op een half punt, houdt dan enkele dingen scherp in het oog: A. Pas vooral op in de opening. Speel iets wat u kent en speel voorzichtig. De simultaangever zal zeer onaangenaam getroffen zijn wanneer hij na een zet of twintig bij uw bord nog niets bereikt heeft. Meestal zal hij dan remise aanbieden om van deze lastpost bevrijd te zijn. Sla dat af! Uw onverschrokkenheid zal hem zeer uit zijn evenwicht brengen. B. Speel vooral agressief (…). C. Vrees afruil niet (…). Zo zouden er meer adviezen te geven zijn, maar ze komen toch eigenlijk allemaal op hetzelfde neer: wees niet bang!" (J.H. Donner, 1977)

"Nog verkeerde de partij in het openingsstadium ….. toen publiek en organisatoren verontrust bemerkten dat het reusachtige Doelen-gebouw volstroomde met lieden die aan pet en hoed onmiskenbaar herkend waren als toebehorend aan het Leger des Heils …. Al spoedig stegen hun loftuitingen op. Uit duizenden kelen, begeleid door de schalmei, de bazuin, de citer, de bel en de rinkelbom …. bliezen de dreunende vreugdebetuigingen aldaar triomfantelijk de stukken van het bord ….. De spelers sloegen de handen voor de oren….Zelden boekte het Leger des Heils zo’n overtuigende overwinning…. Wie houdt er nou een schaakpartij in een concertgebouw?" (J.H.Donner, "Heilsleger verdrijft schakers", 1977)

"Toen alles voorbij was ging ik naar buiten voor een wandeling (…). Een prachtige nazomermiddag en veel volk op de been. Talloze malen werd ik aangeschoten met de bange vraag: ‘Hoe…?’. Steeds opnieuw moest ik zeggen: ‘Mis.’. Mis, Jawel, maar toch moest ik denken: Wat een fiasco! Wat een succes!" (J.H.Donner, 1979)

"De schaker die zijn partij verloren heeft. Wie zal hem beschrijven? Ik heb hem gezien, onmachtig zich te bewegen. Het publiek ging reeds heen, de lichten werden gedoofd, en nog zat hij verstard op zijn stoel naar het afgeruimde bord te turen, omdat hij Lg2 had overzien. Een totale verstening, waar de omstanders fluisterend en op hun tenen langsslopen. Ik heb hem gehoord, hoe hij om straf smeekte. Hij had Ph5 vergeten, en in zijn ontzetting over zichzelf riep hij de verbrijzeling over zichzelf af. Onze woorden van troost wierp hij vér van zich, honend, en hij eiste beledigingen en kastijding. Van verre heb ik gestaan en met afgrijzen gadegeslagen hem die in orgiastische razernij bezwoer zich het mannelijk lid te zullen uitrukken, omdat hij Df6 had gespeeld in plaats van Db6. Wat heet berouw? Wat wroeging? Dit is de hel der hellen. Gehenna. Het dal van Kai Hinnon" (J.H. Donner, 1971)

"Onder die omstandigheden is schaken onmogelijk. Hoe zo snel mogelijk weg te komen is het enige probleem dat der schaker nog interesseert.  Mij likte dat vrij snel middels een krachtige blunder, waarna ik bevrijd opgaf en vertrok……" (J.H. Donner, 1969)

"Ook de wijze waarop hij zijn tegenstander liet ontglippen in de vijfde ronde zou een minder sterke vechtersnatuur uit zijn evenwicht hebben gebracht, maar hij gaf de moed niet op en met onverwoestbaar optimisme bleef hij spelen voor een eerste plaats, die hij na een fantastische eindsprint met 4½ uit 5 ten slotte nog net op het nippertje wist te bereiken. Zoiets is bewonderenswaardig. Schaken is sport en graag zien wij de grootste vechter winnen. Wie daarop wil afdingen met opmerkingen als ‘Maar ik stond lange tijd aan kop’ en ‘in de laatste ronde had hij geluk’ is kleinzielig en unfair." (J.H. Donner)

 

“Tegen een perfecte verdediging zal hij dus niet meer kunnen winnen. Dat zou wel het toppunt zijn van alle ellende die een schaker in het toernooi kan overkomen! Een gewonnen partij niet meer kunnen winnen…(..) Na alles wat hij heeft moeten verduren, dat ook nog!” (J.H. Donner, 1979)

 

“Zowel het schaken als de kunst van het programmeren zijn kennisgebieden van tamelijk esoterische aard. Beide terreinen blijken een grote aantrekkingskracht uit te oefenen op beunhazen die denken dat hun beweringen slechts door weinigen te controleren zullen zijn”. (J.H. Donner, 1982)

 

“Het was een vreemd land (..). Grauwe nevelsluiers ontnamen het licht aan de zon en dempten alle geluiden; alleen het gebrul van de zee verbrak de stilte; en een zacht kermen in de verte. Kilte alom, en toen onze nationale helden de brokstukken van zich afschudden en zij besloten op pad te gaan, maakte zich allengs een diepe huiver van hen meester.” (J.H. Donner, 1980)

 

“Ik had voor mijn zet nogal wat tijd uitgetrokken en had de winst voor hem in alle varianten uitgerekend. Het is opvallend dat de doffe berusting der wanhoop de objectieve blik aanzienlijk meer scherpt dan de roes der overwinning. Misschien is dit wel het moeilijkste in het schaakspel: objectief blijven als je weet dat je gewonnen staat”.  (J.H. Donner, februari 1971)

 

 

“Zo was de stemming opperbest en eigenlijk werd die nog veel beter bij terugkeer in Zoetermeer. Dat te beschrijven! Nee, dat kan ik niet, hoor! Die duizenden langs de weg van de snelweg naar het stadhuis! De ontvangst, eerst bij de wethouder van sportzaken en daarna hossen bij de burgemeester! Allemaal benoemd tot ereburger van Zoetermeer en geïnterviewd voor de lokale omroep! Maar het mooiste, het allermooiste was toch wel het gezamenlijk in het water gooien van de Sigarenroker.” (Vrij naar J.H. Donner, 1974)

 

“Eigenlijk heb ik zelf nooit een schaakpartij gespeeld waar ik achteraf helemaal tevreden over was.(..) Maar ook die partijen, waarin je op het ogenblik zelf dacht bezig te wezen een meesterwerk op te bouwen, blijken achteraf veel fouten en duistere passages te bevatten en pijnlijke vragen knagen aan dit, wat eens zo schoon leek. Er klopt eigenlijk nooit iets van, achteraf, en wanneer men mij vraagt naar mijn beste partij dan blijft er zeer, zeer weinig over van de honderden toernooipartijen die ik in mijn leven speelde. Misschien Eén.” (J.H. Donner, 1977)

 

Scroll naar boven