De toekomst van het schaken

ARTICLE73

De Toekomst van het Schaken door Manuel Nepveu

Het is december. In deze tijd van het jaar placht het flink guur weer te zijn, de sneeuw hoog opgetast. Automobilisten moesten vaak vele, vele minuten lang “krabben” voor ze op weg konden. Nu is dat niet zo. De “donkere dagen” voor Kerstmis missen een traditionele, gure dimensie.

In de schaakwereld is de verandering, mutatis mutandis, precies andersom. Decennia lang werden belangrijke schaakevenementen door “iedereen” gefinancierd. Kandidatenmatches en matches om het wereldkampioenschap werden financieel mogelijk gemaakt door grote instellingen die de FIDE daarbij genereus de helpende hand boden. Het jaarlijkse toernooi in Groningen werd in opvolging door tal van bedrijven ondersteund, gemeente en provincie waren niet te beroerd om in de buidel te tasten. Het Hoogoventoernooi bestond sinds het prille begin van de mensheid en zijn voortbestaan was geen thema. IBM en Interpolis hadden hun vaste plaats op de toernooiagenda. Het schaakleven zag er, kortom, zonnig uit.

Inmiddels is de FIDE een organisatie waar niet iedere belangrijke instelling mee geassocieerd wenst te worden. De formeel belangrijkste persoon is niet langer “van onbesproken gedrag”, de financiën geuren wellicht een weinig. De besluitvormingsprocessen zijn onduidelijk en de besluiten zelf zijn soms op het randje van krankzinnig.

De invloed van deze veranderingen op het schaken zelf is merkbaar en wel op verschillende niveaus. Ik geef in het volgende enige voorbeelden.

Toen iemand in mijn naaste omgeving me recentelijk vroeg welke schaker wereldkampioen was merkte ik op dat het heden ten dage zinniger is om te vragen wie de sterkste schaker is.

Het antwoord op de vraag naar de wereldkampioen schaken hangt namelijk af van degene aan wie de vraag wordt gesteld: welk “zooitje ongeregeld” erkent hij? Wat dit betreft is het schaken (definitief?) terecht gekomen in het bedenkelijke gezelschap van het boksen. Veelzeggend was dat ik er serieus over moest nadenken wie nu toch ook weer de kampioen van de FIDE was. Het kampioenschap van het oudste schaakverband heeft geen echte status meer en het antwoord op de overigens legitieme vraag is onbelangrijk geworden. Eigenlijk interesseert het me niet meer.

De landen die zijn aangesloten bij de FIDE hanteren de (wedstrijd)regels zoals die door de FIDE worden vastgesteld. Tot op heden zijn de veranderingen daarin binnen de perken gebleven, maar toch. We kennen sinds mensenheugenis de vijfig-zettenregel. Daar is in het verleden al eens aan gemorreld. Onder andere naar aanleiding van een eindspel dat Timman ooit op het bord kreeg (Timman-Velimirovic, Rio de Janeiro 1979) werd de regel expliciet aangepast, en wel zó, dat hij werd verruimd voor zekere, concrete posities. Later heeft men dat toch maar teruggedraaid. Misschien niet onverstandig.

Ook het speeltempo is aan verandering onderhevig: het moet allemaal sneller. Men wil het spel “flitsender” maken, zodat er meer belangstelling is van de boze buitenwereld. Tenslotte zijn tijdnoodspektakels koddig om te zien, nietwaar? Echter, de belangstelling van de pers was beperkt, is beperkt en blijft beperkt. U kijkt niet verbaasd, zie ik. Ik ook niet.

Een heikel punt vormen misschien de basisregels van het spel zelf. Aan het begin van de vorige eeuw was er een zekere Dr. Maack uit Hamburg die met Germaanse drammerigheid het drie-dimensionale schaak propageerde. Hij kreeg geen poot aan de grond. Maar nu gaan er uiterst serieuze stemmen op om de regels van het schaken zo te veranderen dat de beginpositie van de stukken zelfs niet langer heilig is. Een en ander heeft te maken met de bergen schaaktheorie, die voor sommigen onverteerbaar zijn. Men wil aldus het schaakspel terugbrengen tot wat het oorspronkelijk natuurlijk ook was: een spel, en geen wetenschap. Het idee slaat nog steeds niet echt aan, maar ik ben er niet geheel gerust op dat deze “aanslag” met vliegend vaandel en slaande trom de pan in gehakt wordt.

Wat mag er eigenlijk veranderen aan de basisregels van het schaakspel? In het verleden is er enorm veel aan de oorspronkelijke opzet gewijzigd. Het trage spel dat in India en aan de hoven van de kaliefen van Bagdad werd gespeeld heeft rond het einde van de Middeleeuwen in Europa sterke veranderingen ondergaan. De dame werd een machtig stuk, dat was het niet.

Er kon gerokeerd worden, dat was nieuw. Deze en andere veranderingen maakten het spel veel sneller. Een schaakpartij was niet iets waarvoor je eens een weekje uittrok, zoals eerder wel voorkwam. Onduidelijkheden bleven er wel, maar die zijn in de negentiende eeuw allemaal opgelost. De vraag, bijvoorbeeld, wat er met een pion die aan de overkant kwam diende te gebeuren. De beslissing viel in de tijd van de la Bourdonnais, in de vroege negentiende eeuw.

Is het dan werkelijk zo zot om ook nog eens de beginopstelling te laten variëren?

Het spel met de huidige basisregels is voor iedereen ter wereld moeilijk genoeg. Er zitten geen rare, willekeurige, elementen in. Het spel is zo ongeveer volmaakt in zijn soort. Als er dan veranderingen worden aangebracht, louter en alleen omdat er zoveel theorie bekend is, is dat een bedenkelijk argument. Bovendien kan ik me helemaal niet onttrekken aan de indruk dat men door wezenlijke veranderingen van het schaken eventjes een soort van kermisattractie maken wil, iets waarmee je weer voor enkele maanden, if at all, scoort bij de pers. Volmaakt zinloos!

De situatie zou anders zijn als het spel volkomen begrepen werd, als iedere twaalfjarige zou spelen als een grootmeester en als men op het hoogste niveau alleen nog maar remise zou spelen, omdat men in die esoterische contreien het spel volledig in de zak heeft. Die situatie bestaat nog niet. Nog niet.

Het is onmogelijk om te voorspellen hoe de ontwikkelingen zullen gaan. We weten niet of de FIDE niet toch weer respectabel zaal worden. We weten niet of er ooit vorderingen in de didactiek zullen zijn zodanig dat elke twaalfjarige dreumes ergens in de toekomst even gemakkelijk en goed zal kunnen schaken als lezen en schrijven. We weten niet welke rol de computer verder nog spelen kan.

Eind zestiger, begin zeventiger jaren was er een tijdje een spelprogramma op tv waarbij drie kandidaten solliciteerden op een werkelijk bestaande vacature. Een panel van drie stelde voor het oog van het ganse kijkersvolk een aantal vragen en bepaalde wie de gelukkige zou worden. Euwe zat een keer in het panel. Hij ondervroeg een programmeur-in-spe. Of computers ooit eens zo goed zouden kunnen schaken als grootmeesters, wilde Euwe weten. De kandidaat zal ongetwijfeld hebben aangevoeld dat Euwe een bepaald antwoord beslist niet wenste te horen. Hij deed de juiste gok. Een overgelukkige Euwe was duidelijk in zijn nopjes met het antwoord van de kandidaat, legde alles zelf nog eens precies uit en prees hem aan als zijn kandidaat voor de baan. Ik herinner me dat de argumentatie van de toenmalige informatica-professor me niet kon overtuigen en ik zou allemachtig graag hebben geweten wat Euwe van de huidige ontwikkelingen had gevonden. Zou deze kenner par excellence diep door het stof zijn gegaan?

Nee, voorspellen doe ik niets. Samen met U, waarde lezer, wacht ik af.

Misschien moet ik toch ooit weer minutenlang ijs van mijn autoruiten krabben als ik op weg ga naar een door een onberispelijke FIDE gesponsord toernooi in Groningen.

MN

Scroll naar boven