De waarde van kennis

Een aantal jaren geleden werd er in de vaderlandse politiek een probleem gesignaleerd dat bekend staat als de “Innovatieparadox”. Er wordt veel geld besteed aan onderzoek dat ten goede moet komen aan het Nederlandse bedrijfsleven, het ontbreekt niet aan kwaliteit en toch doet het bedrijfsleven te weinig met de ontwikkelde kennis. Het gevolg van deze constatering was dat een commissie onder leiding van Herman Wijffels (u weet wel…) de GTI’s ( = grote technologische instituten) en TNO de maat ging nemen. Zijn eindrapport bevatte oplossingsrichtingen om de paradox te doorbreken en stond mede aan de basis van een grote reorganisatie bij TNO. In dit rapport speelde die kennis een rol waarmee je de economie kan aanjagen, waarmee Nederland centjes kan verdienen.

Hoe anders was de situatie toen ik naar de universiteit ging, in 1970. Er werd helemaal niet gesproken over kennis als iets waar je economisch beter van werd. Sterker, de algemene houding van de linkse politieke partijen tegenover het bedrijfsleven was sceptisch, niet zelden ronduit vijandig. Het was de tijd waarin je als student geen baan bij Shell of Unilever ambieerde of waarin je wijselijk je snuit hield als je dat onverhoopt toch deed. Het was de tijd van “logen” en “gogen”. Ruurd Kunnen was een van de zeer velen die rond die tijd sociologie gingen studeren en er werden studies opgezet als andragologie, waarvan het ondermaatse niveau pas veel later duidelijk werd.
Ik herinner me dat er in mijn eerste jaar een verhitte discussie werd gevoerd tussen een paar natuurkundestudenten en een hoogleraar sterrenkunde, waarbij de hoogleraar het verwijt kreeg dat hij op kosten van de belastingbetaler zijn hobby zat te beoefenen. Anderzijds was “zelfontplooiing” in die tijd een geliefd argument voor welke studiekeuze dan ook. Kennis als zelfontplooiing, kennis om der wille van het pure weten. Het was de tijd waarin er in een enkel jaar in Utrecht alleen al honderd wiskundestudenten aankwamen, een aantal dat een paar jaar geleden nauwelijks gehaald werd door alle universiteiten samen.
Zowel het gezin waarin ik opgroeide als de maatschappelijke atmosfeer zorgden ervoor dat ikzelf kennis om der wille van de kennis hoog in het vaandel had. Het verklaart ten dele mijn studiekeuze. De tijden veranderden. Ergens rond het begin van de jaren negentig solliciteerde ik bij een Delftse hoogleraar wiens afdeling zich met roervaten bezighield. Ik vroeg hem wat hij ervan vond als ik me af en toe met een sterrenkundig probleem zou bezighouden als mij dat zo uitkwam. Ik herinner me zijn verbale reactie niet meer, maar ik weet nog wel hoe hij keek: extreem zuinig. Hoe anders was aan het begin van de jaren tachtig mijn chef in Bonn geweest: al publiceer je over het liefdesleven van de mieren, als je maar publiceert!
Inmiddels werk ik bij TNO en de problemen waarmee ik word geconfronteerd dienen uiteindelijk een praktisch doel, maar nog altijd abstraheer ik zoveel ik kan en kijk ik naar het voorgeschotelde probleem als iets dat ik bestudeer om het zuivere weten. Alleen zo verloochen ik mijzelf niet.

Hoe zit het eigenlijk met schaakkennis? In welke categorie valt die? Degenen die varianten uit hun hoofd leren doen dat om in wedstrijden de wind mee te hebben en om meer punten bijgeschreven te krijgen. Eindspelboeken, zoals Keres’ Praktische Endspiele of A guide to chess endings van Euwe en Hooper, beginnen vaak in voorwoord of inleiding met het benadrukken van het praktische nut van eindspelkennis. Dat doen de schrijvers omdat veel spelers de eindspeltheorie droog schijnen te vinden en dus aangespoord moeten worden om zich er toch maar in te verdiepen, zij krijgen de worst van de extra punten voorgehouden. In feite wordt bijna alle schaaktechnische kennis opgedaan om er achter het schaakbord profijt van te trekken. Het gaat hier om een vorm van kennisverwerving die goed te vergelijken valt met de economisch gemotiveerde kennisopbouw van de eerste alinea. Sterker, voor beroepsspelers ís het waarlijk economisch gemotiveerd…
Er is ook schaakkennis die niet direct achter het schaakbord van waarde is, de kennis van de ontwikkeling van het spel, van de schaakhistorie. Dit is kennis die uitsluitend culturele waarde heeft, geen praktische. Murray’s dikke pil over de schaakhistorie bevindt zich wellicht daarom maar op weinig boekenplanken. Toch geeft het wat extra’s. Wie de Franse verdediging speelt hoeft niet te weten dat deze verdediging ooit naar Lucena werd genoemd en zijn huidige naam dankt aan een correspondentiepartij tussen Londen en Parijs uit het jaar 1834, waarbij de Parijzenaars aan het langste eind trokken. Hij hoeft niet te weten dat Jaenisch zich in1842 met de vraag bezighield waar het openingsidee van het Frans nu eigenlijk in bestaat. Het hoeft allemaal absoluut niet. Maar het verrijkt wel, vind ik. Maar uw dienaar is dan ook een oude man wiens normen en waarden in een andere tijd werden aangebracht.

Scroll naar boven