Denderende citaten, door Manuel Nepveu Over het universum dat schaken heet is veel gezegd en geschreven, maar er zijn niet zo heel veel indrukwekkende citaten over dit universum bekend. De wiskundige Leibniz had het ooit over “voor spel teveel ernst, voor ernst teveel spel” en Tarrasch moet eens geschreven hebben dat “het schaakspel net als de liefde en de muziek de eigenschap heeft mensen gelukkig te kunnen maken”. Leuk allemaal, maar niet wereldschokkend. Tante Mien van driehoog-achter had dit ook nog wel kunnen verzinnen. Laten ik het maar zonder omwegen en met pijn in het hart toegeven: het schaakuniversum is volgens mij te onbeduidend en heeft te weinig verbindingen met andere universa om denderende citaten te kunnen opleveren. Ik ben in de gelukkige omstandigheid geweest dat ik me ooit met het universum heb mogen bezighouden. En het universum heeft wel aanleiding gegeven tot denderende citaten. In 1814 schreef de Franse wis- en sterrenkundige Pierre Simon Laplace in zijn “Essai philosophique sur les probabilités” (mijn vertaling): “Een Intelligentie die op enig moment alle krachten zou kennen die in de natuur werkzaam zijn, alsmede de situatie van ieder van de dingen waaruit zij bestaat- een Intelligentie die bovendien groot genoeg zou zijn om al deze gegevens aan analyse te onderwerpen, zou in dezelfde formule de bewegingen van de grootste lichamen van het universum omvatten en ook die van het lichtste atoom: voor hem zou niets onzeker zijn en toekomst zowel als verleden zouden hem voor ogen staan.” Dit citaat heeft de kracht van een orkaan en een schoonheid, groter nog dan die van de Franse Verdediging. Sommige delen zingen rond in daarvoor ontvankelijke schedels: …op enig moment… in dezelfde formule…en toekomst zowel als verleden zouden hem voor ogen staan. | In luttele woorden beschrijft Laplace hier hoe de wereld in elkaar steekt. Toegegeven, het mechanistische wereldbeeld dat hier wordt beschreven is sindsdien een weinig bijgesteld, maar nooit is het mooier en grootser verwoord dan hier. Iedere fysicus heeft de uitspraak tijdens zijn studie langs zien komen en nog altijd wordt deze passage over de “Intelligentie”, deze Superieure Geest van Laplace aangehaald. Soms door hen die begrijpen, soms ook door filosofen en wetenschapsjournalisten. Dit citaat van Laplace staat in een essay over waarschijnlijkheid, niet in zijn monumentale vijfdelige werk over de hemelmechanica. Het ging Laplace dan ook om iets anders dan de beschrijving van het deterministische wereldbeeld. De beroemde uitspraak was “slechts” een opmaat om te laten zien dat voor ons, eenvoudige stervelingen, waarschijnlijkheidsleer een noodzakelijk intellectueel instrument is: tussen ons en de “Intelligentie” van Laplace gaapt een fabeltastische kloof. Maar ik heb nog iets meer met dit citaat. Ik ben ooit werkzaam geweest als sterrenkundige en in mijn huidige activiteiten staat het begrip “waarschijnlijkheid” centraal. En het mag dan waar zijn, dat Laplace enige orden van grootte intelligenter was en lichtjaren verder kon zien dan ik, toch is hij een collega van mij. Weinigen kunnen zeggen dat zij een erfgenaam zijn van Laplace. Ik kan dat wel. En iedere keer als ik bovenstaand citaat zie, word ik even stil. Maar onherroepelijk zwel ik vervolgens van trots. |