Artikelen van de Schaakvereniging Promotie
Doctor doceert door Manuel Nepveu
Aflevering 45 (!) van onze langst lopende serie
XLV LSD: Lokken, Sjorren, Duwen
In aflevering XLIII van deze serie (jaargang 50-4) ging het over "op het verkeerde been zetten". Deze alleraardigste activiteit had daar toch vooral een puur technische betekenis.
Je concentreert je op een bepaald doel, dwingt je tegenstander stukken tot verdediging aan te wenden en als het meezit staan zijn stukken dan gedeplaceerd voor een plotselinge actie op een ander gedeelte van het bord. In deze aflevering wil ik een andere variant van "op het verkeerde been zetten" beschrijven, een meer psychologische variant namelijk.
Wanneer wij clubspelers een tegenstander tegenover ons vinden, zijn wij sterk geneigd hem in een hokje te stoppen volgens het schema "sterker / zwakker / even sterk". Dat is volkomen logisch. Het is een indeling die iets te maken heeft met de verwachting en hoop voor de komende partij en daar is niets mis mee. Er is echter nog een andere indeling mogelijk, die zeker zo betekenisvol is. Zou U hem kunnen verzinnen? Welnu, de indeling "toffe peer/ kloothommel / mwah" waar U nu misschien aan denkt, is ook een voorteffelijke indeling, maar niet helemaal wat ik bedoel. De indeling die ik praktisch betekenisvol vind is de indeling "bekend / onbekend". De clubspeler zal veel van zijn partijen spelen tegen de mensen van zijn club. Na een paar seizoenen meegedraaid te hebben weet ieder van ons hoe het zit met de schaakkwaliteiten van onze clubgenoten. Niet alleen vanwege de eindranglijst, maar vooral ook vanwege persoonlijke ervaring en wat anderen over deze of gene zeggen. Wanneer we daarentegen schaken in de externe competitie is de kans aanzienlijk dat we niets van onze tegenstanders weten. En wanneer we ergens aan de andere kant van Europa aan een open toernooi meedoen is de oppositie vrijwel zeker een onbekende. Wanneer we iets weten van onze tegenstander kunnen we die kennis in de praktische partij gebruiken, al was het maar om vast te stellen wat de tegenstander wil of wat hij kan.
Wanneer we onze Bannink met Wit een systeempje als 1 d4, Pf6 2 Pf3, g6 3 Pc3, d5 4 Lf4, Lg7 5 e3, 0-0 6 Le2 zien kiezen weten we dat hij helemaal niet van plan is een schapenopening te spelen, maar dat hij via een uitgekookte reeks van zetten onze majesteit direct op de korrel wil nemen. We weten dus dat we dit systeem met Zwart misschien beter kunnen vermijden.
Wanneer we onze Boerkamp na 1 d4, d5 2 c4 de zet e5!? zien spelen weten we dat hier geen sprake is van een tragische vingerfout, maar dat hij in een systeem terechtkomt waarmee hij ervaring heeft en waarin hij zijn lage lusten kan botvieren. Objectief is dit gambiet waarlijk niet denderend, maar misschien, misschien moeten we het toch maar omzeilen.
Wanneer we onze Broekman na 1 d4, d5 2 c4, e6 3 Pc3, Pf6 4 cd5x zien spelen weten we dat hij inwendig loopt te gillen van genot, ook al denkt U natuurlijk dat er niets aan de hand is. Toch maar naar een uitwijkmogelijkheid zoeken dan?
Zou U echter niet weten hoe onze makkers B, B en B in elkaar steken dan zou U kunnen menen te maken te hebben met een oervervelende betonschaker, een hoera-stijl knuppeltje of een onbedaarlijk saaie Piet. Maar omdat U lid bent van SV Promotie weet U beter. U kent onze makkers en U bent gewaarschuwd. Bovendien weet U nog meer.
Die Bannink gaat tot het gaatje. Als U remise aanbiedt in een remisestelling neemt hij dat waarschijnlijk niet aan en hij weet kansen te scheppen waar U even niet aan had gedacht. Heel vervelend, heel irritant. Het wordt vermoedelijk een zware avond.
Die Boerkamp zal proberen U onder te schoffelen. Zit U even te suffen dan knallen U de stukken om de oren. Maar een toreneindspel met twee pionnen meer zal hij niet van U winnen. Ziehier hoe U zich deze kennis ten nutte kunt maken! In een slechterstaande, maar erg tactische stelling gaat U rechtstreeks naar een toreneindspel toe, een saai toreneindspel bij voorkeur, het saaiste toreneindspel sinds het jaar 1840. Doet er niet toe of dat eindspel objectief verloren is. Boerkamp voelt de krachten uit zich wegvloeien. Huilend biedt hij U met twee pionnen meer remise aan. U twijfelt nog, maar U neemt het aanbod uiteindelijk aan; tenslotte hebt U twee honderd ratingpunten minder en de persoonlijke verhoudingen mogen ook niet uit het oog verloren worden.
Die Broekman zit vilein op die slechte loper van U te spelen, van het begin van de partij tot het einde. Hartstikke monomaan. Sinds het jaar 1840 heeft er geen schaker op aarde rondgelopen die zo monomaan was. Hij kon allang via een simpele onderste-rij-combinatie winnen, maar het gaat hem om die slechte loper. Hij zal U dus niet op de onderste rij matzetten. Tot aan het eind van de partij zorgt U ervoor dat Uw slechte loper slecht blijft. Dan bent U gevrijwaard van koningsaanvallen, stukverlies en mat achter de paaltjes. U moet er alleen voor zorgen dat die slechte loper U niet de das om doet. Die verplichting heeft U natuurlijk wel…
Het kan zijn dat het bovenstaande plaatje een weinig gechargeerd is, maar de boodschap heeft U inmiddels ongetwijfeld wel gekregen. Het is mogelijk om de tegenstander in situaties te lokken waarin hij schaaktechnisch niet optimaal functioneert. Maar U moet de tegenstander dan dus wel kennen. Tot nu toe is alleen de "L" van de titel aan bod gekomen. De twee andere letters staan voor "Sjorren" en "Duwen". Niet altijd heeft een partij een rechtlijnig verloop waarbij beide tegenstanders recht toe recht aan hun plannen volgen. Er moet af en toe geprobeerd worden hoe de tegenstander op een bepaalde manoeuvre reageert. Het gaat om manoeuvres die het mogelijk maken om op je schreden terug te keren als blijkt dat de tegenstander in de gaten heeft hoe er gereageerd moet worden. Het gaat er dus om iets te proberen wat niet compromitterend is. In moeilijke eindspelen zie je dat bijvoorbeeld regelmatig gebeuren: de sterker staande speler kijkt of hij een ingewikkeld, moeizaam winstplan kan vermijden door eerst even te kijken of zijn tegenstander zich misschien wenst te verslikken in een eenvoudigere mogelijkheid. Zo niet, dan volgt het ingewikkelde plan alsnog. Voor de speler die een verdedigende rol heeft is dit erg vermoeiend. Hij moet voortdurend alert blijven en dat kan gaandeweg gewoon allemaal teveel voor hem worden. Verder kan er bij de partij die al deze moeite moet doen licht een toestand van irritatie optreden, een toestand die niet bevorderlijk werkt voor objectiviteit en accuratesse.
De nu volgende partij speelde ik in dit seizoen tegen Joost Mostert. Toen ik halverwege de tachtiger jaren lid werd van onze club kwam ik vaak tegen Joost te spelen en aanvankelijk resulteerde die ontmoetingen in duidelijke nederlagen mijnerzijds. Allereerst begon ik te begrijpen wat ikzelf allemaal fout deed -altijd leuk om mee te beginnen-, maar gaandeweg begon ik ook inzicht te krijgen in "de schaker" Joost. Zowel het een als het ander legde me geen windeieren. Joost en ik hebben inmiddels heel wat partijen gespeeld en een aantal van deze (winst- en verlies)partijen hebben een plaatsje gekregen in mijn verzameling. Als ik U nu vertel dat ik gemiddeld acht van de negen gespeelde partijen onder verachtelijk hoongelach door het toilet spoel …
MN – Joost Mostert, interne, 4/2/2003
Engels
1 c4, Pf6 2 g3, g6
Nu al commentaar? Ja, nu al. Bij Joost heb ik met enige regelmaat Konings-Indische partijen zien verschijnen, Daarbij viel het me op dat zijn tegenstanders dan altijd iets als de hoofdvariant speelden, maar nooit de Sämisch. Het komt me voor (hypothese, hypothese) dat Joost pas bereid is de Konings-Indische opzet te hanteren als de Sämisch redelijkerwijs niet meer op het bord kan komen. Anderzijds heeft Joost tegen mij een paar keer mindere resultaten geboekt met opstellingen die na …,e6 kunnen ontstaan. De tekstzet wordt zo begrijpelijk.
3 Lg2, Lg7 4 Pf3, 0-0 5 0-0, c5 6 Pc3, a6 7 d4, cd4x 8 Pd4x, Pc6 9 h3, e6 10 Le3, Dc7 11 Tc1, d6 12 Pcb5!?
Is de tekstzet echt sterk? Wel, verkeerd is hij niet, maar het is nu ook weer niet de voortzetting waaraan bijvoorbeeld Fritz7 als eerste denkt (Dd2). Bij het uitvoeren van mijn elfde zet zag ik hem al zitten. Ik weet bijna zeker (hypothese, hypothese) dat Joost de zet niet eens heeft zien aankomen. Joosts sterkste punt is zijn strategische spelvoering en hij is bepaald zwakker in het voorzien van en het omgaan met tactische grappen. Ik kan mij niet voorstellen dat mijn waarde opponent dit een erg leuke verrassing vond. In objectieve zin gebeurt er overigens niets wereldschokkends, maar het gaat hier om iets anders: het welbevinden van mijn tegenstander.
12…, ab5x 13 cb5x, d5 14 bc6x, bc6x 15 Pc6x, Db7 16 Db3
Een andere mogelijkheid is 16 Lc5 gevolgd door 17 La3. Fritz7 geeft echter de door mij gekozen zet als eerste op zijn lijstje (wat mij eerlijk gezegd toch wat verbaasde).
16…, Db3x 17 ab3x, La6 18 Tc2, Tfe8 19 b4, Lc4 20 Pe5, Lb5 21 Lf3, Pe4 22 Pd3, Ta4 23 b3, Ta3 24 Le4x, de4x
Joost zet zijn stukken maximaal in en als er al van voordeel van Wit sprake zou zijn, dan kan dat werkelijk niet veel voorstellen. Wit heeft zich ook nog eens gedrongen gevoeld het opdringerige paard te slaan en Zwart heeft het loperpaar "veroverd". Nu is er niemand op onze club (hypothese, hypothese) met een hogere dunk van het loperpaar dan Joost. Ik heb hem ooit in een externe wedstrijd in Delft het loperpaar zien najagen in een situatie waarin ieder ander een koninkrijk voor het paardenpaar had gegeven.
Joost moet zich hier dan ook senang hebben gevoeld. Joost begint prompt te "breien": hij begint weer met zijn beroemde pionzetjes en zijn omzichtige manoeuvres.
25 Pc5, f5 26 Td1, h6 27 h4, h5 28 Kg2, Lf8 29 Pd7, Le7
De laatste zet van Wit valt in de categorie "sjorren en duwen". Het is niet zo dat Zwart door deze zet voor echte problemen wordt gesteld. Fritz7 beveelt 29…,Lg7 30 Td6, Tb3x 31 Lc5 aan en heeft het dan over gelijk spel. Met de tekstzet geeft Joost mij de gelegenheid het paard centraler te posteren en hem meer opties te geven. Dat daarbij de witte pionnen op de b-lijn ten dode opgeschreven zijn, is even waar als het onbeduidend is. Door het opspelen van de zwarte koningsvleugelpionnen zijn er namelijk betere mogelijkheden voor Wit opgedoken, terwijl de witte b-pionnen toch niet vooruit te branden zijn.
30 Pe5, Tb3x 31 Pg6x, Lb4x 32 Tc7!
Na een eventueel 32…,Le2x volgt 33 Tdd7 met mataanval. Wit moet trouwens ook een beetje oppassen, want na Lf3+ plus Tb1 gaat hij zelf mat. Joost heeft pas hier (hypothese, hypothese) gezien hoe vilein Wits torenzet is. Misschien heeft hij de zet niet eens zien aankomen.
Wit heeft groot voordeel en de vraag is of Zwart zal matgaan. Het korte gevecht dat nu volgt heeft tot thema een tweede toren op de zevende rij te krijgen, c.q. dit te verhinderen. Joost geeft direct het loperpaar weer op; hij moet zich nu even wat minder voelen…
32…, Lf8 33 Pf8x, Tf8x 34 Lh6, Ta8
Ook de in aanmerking komende torenzetten naar e8 en b8 blijken het tij niet te kunnen keren. Fritz7 had er overigens wel enige moeite mee dat te ontdekken, maar na stug rekenen was hij het met mij eens.
35 Td6, Te8
Tijdens de partij hield ik 35…, Tba3 voor beter, maar thuis ontdekte ik dat het grenzeloos subtiele 36 Tb6! dan wint. Tijdens de partij had ik dat natuurlijk wel even moeten vinden. Trouwens, ook hier bleken zowel Rebel8.0 als Fritz7 zonder mijn hulp de zet niet in een minuutje te kunnen traceren, maar nadat ik hen streng had toegesproken waren zij het roerend met me eens.
36 Tb6, Lc4 37 Tbc6!, Le2x 38 Tg7+ (1-0)
De tweede toren komt op de zevende rij, Zwart wordt matgezet.
Manuel Nepveu
