Doctor doceert
Doctor doceert Manuel Nepveu
L. Gevoel voor Gevaar [ L = vijftig !!!!! ]
Een van de eerste dingen die we leren als we gaan schaken is, dat we niet al te kwistig met ons materiaal om moeten gaan. Voortdurend moeten we in de gaten houden dat we niet onnodig en onbedoeld pionnen en stukken cadeau moeten doen aan de tegenstander. Immers, het verlies van een enkele pion kan voldoende blijken om de partij te verliezen.
In mijn geval leidde dat ertoe dat ik, in een tijd dat er geen verantwoorde schaaktrainingen bestonden waarin ik gecorrigeerd had kunnen worden, op mijn kop ging staan om materiele verliezen te voorkomen. Mijn aanvankelijke tegenstanders waren net zulke beginnelingen als ik en vaak werd deze overdreven wijze van handelen niet afgestraft. Pas toen ik lid werd van BSG, kwam ik in contact met tegenstanders die dat afstraffen wel konden. Ik leerde dan ook dat deze uitermate materialistische handelwijze zo zijn beperkingen heeft.
Daar staat tegenover dat het verorberen van aangeboden materiaal ook zo zijn nadelen kan hebben en dat het najagen van materieel voordeel weinig waardevol is als die een dodelijke koningsaanval op de eigen monarch tot gevolg heeft. En zelfs wanneer dat laatste niet het geval is en het meerbezit van een eenvoudige boer de tegenstander “alleen maar” in de gelegenheid stelt om langdurig initiatief te ontplooien, is het raadzaam nog maar eens tweemaal na te denken. De bekende uitdrukking “Sla nooit op b2, zelfs niet wanneer het goed is” komt voort uit deze gedachte.
Nu ik wat langer schaak, ga ik met de bovengenoemde aspecten vrij relaxed om. In de eerste plaats merk ik dat ik in een stelling niet extreem bewust zit te kijken waar mijn tegenstander zou kunnen gaan dineren. Het lijkt erop dat de controle over het bijeenhouden van het materiaal is overgenomen door een gespecialiseerd groepje hersencellen die dat automatisch, op de achtergrond, doen. Ik geloof niet dat ik er heel bewust mee bezig ben. Desondanks maak ik niet veel fouten van dit genre en als ik ze maak, dan gebeurt dit bijna alleen in niet-alledaagse “truc-achtige” situaties. Ik ben er misschien ietsje bewuster mee bezig om te kijken waar ik zelf uit eten zou kunnen gaan, maar doorgaans neemt ook dit onderdeel van de zetkeuze maar enkele seconden in beslag, zeker geen minuut. Bovendien, als ik zie dat ik kan toetasten, kijk ik wel heel goed uit wat mijn tegenstander daarbij zou kunnen winnen. Heeft het er ook maar enigszins de schijn van dat hij op andere wijze schadeloosstelling krijgt, dan eet ik niet. Bovendien probeer ik de lijn van de partij, zoals ik die op dat moment zie, vast te houden. Een pion eten waardoor een stuk, gezien mijn plannen, onhandig wordt posteerd… neen, dank U. In de partij tegen de toenmalige IM Jeremič (Andorra 2002), gepubliceerd in dit clubblad, werd mij deze laatste waarheid nog weer eens onder de neus gewreven.
Wat ik hierboven heb geschreven is een voorbeeld van het hebben of ontwikkelen van “Gevoel voor Gevaar”. Geen materiaal verblunderen, geen kansen scheppen voor de tegenpartij, geen ondoelmatige acties ondernemen. Het is een korte zin, het klinkt zo eenvoudig en desondanks heb ik er echt jaren over gedaan om mij dit enigszins eigen te maken. Geen echt schaaktalent – net wat U denkt – en ook geen trainers in de buurt om dit hele basisproces op weg naar het betere schaken iets te versnellen.
Ofschoon er achter het bord soms flink gerekend moet worden, is dit misschien toch niet de belangrijkste taak. Een stelling zoals die zich voor het geestesoog ontrolt moet beoordeeld worden. Je kunt niet aan het rekenen blijven. Zeker in een situatie die erg toegespitst is, moet het gevoel voor gevaar altijd mede een rol spelen. Vertrouw ik deze positie? Kan die uitval ongestraft? Mag ik dat in de lucht hangende paardoffer van mijn tegenstander toelaten? Moeilijke vragen. Mooie vragen. Adrenalinevragen.
In de volgende partij, die stamt uit het voor mij zo aangenaam verlopen Kersttoernooi in Groningen van 2002, speelde het gevoel voor gevaar voortdurend een rol. Mijn tegenstander was jeugdspeler Matthew Tan. Hij was nominaal toen al sterker dan ik. Zijn talent kon je aan zijn volwassen manier van schaken merken en ook aan zijn vermogen om zelf achter het bord verreikende, verantwoordelijke beslissingen te nemen. ►
Matthew Tan – MN, Groningen 2002, Mini A, 26-12-2002
Frans
1 e4, e6 2 d4, d5 3 Pc3, Lb4 4 Ld3, de4x 5 Le4x, Pf6 6 Lf3, Pbd7
Matthew gaat platgetreden paden uit de weg middels zijn vierde zet. Helaas voor hem zijn doorgewinterde Fransspelers niet zo bevreesd voor deze aanpak. De door Zwart gespeelde zesde zet schijnt hier toch niet gebruikelijk te zijn, als we het openingsboek van Fritz mogen geloven. In het vervolg komen er stellingsbeelden op het bord die voor het Frans wat ongebruikelijk zijn. Beide spelers moeten echt zelf aan de bak. Ik mag aannemen dat de afwijking op de vierde zet een daarop gebaseerde bewuste keuze was van Matthew.
7 Le3, 0-0 8 Pge2, e5 9 0-0, ed4x 10 Ld4x, Lc5
Voor een Fransspeler die gewend is deze loper op c3 tegen de dameknol van Wit te moeten ruilen, is deze zet even een kwestie van “omdenken”. De stelling heeft een open karakter en de beide lopers van Wit staan actiever dan die van Zwart. Daarom lijkt het niet zinnig de zwarte koningsloper tegen het paard op c3 te ruilen. Wit zou in deze open stelling dan de beschikking krijgen over het loperpaar. Liever niet dus. Zwarts laatste zet heeft eigenlijk een profylactisch karakter: het gevaar bezweren voordat het zich echt aandient.
11 Dd3, c6 12 Tad1, Ld4x 13 Pd4x, Pe5 14 De2, Pf3x+ 15 Pf3x, Db6 16 Pe4
De witspeler ziet dat hij beter ontwikkeld is dan zijn tegenstander en wordt meteen actief.
Hij bekommert zich er niet om dat er in principe een of twee pionnen verloren gaan op de damevleugel. Zijn aanval taxeert hij als voldoende compensatie. Lichtzinnigheid? Durf? Of gewoon schaakinzicht? Fritz7 geeft aan dat Zwart op b2 kan inslaan met een licht betere stelling. Misschien heeft mijn elektronische dienaar in hogere zin gelijk, maar het slaan op b2 lost op dit moment niets op. Zwart moet zijn ontwikkeling voltooien. Bovendien, hoe luidde die uitspraak over het slaan op b2 ook alweer?
16…, Pe4x 17 De4x, g6 18 Dh4, Db2x
Waarom slaat Zwart nu wel op b2, terwijl hij zojuist heeft staan balken dat je dat niet moet doen? De verklaring zit hem in zet 17 van Zwart. Met deze zet dreigt Zwart met …, Lf5 zijn ontwikkeling te voltooien en tegelijkertijd krijgt Zwart eventueel een retraite op g7 voor zijn dame. Tijdelijk helpt de dame dan bij het opvangen van de te verwachten aanval. Via b2 baant hij zich dus een weg naar de koningsvleugel. Matthew ziet dat ook en speelt een mooie interferentiezet. Het gevolg is dat Zwart dit plan niet meer kan uitvoeren. Wit houdt vast aan zijn plan en hoewel Fritz blijft volhouden dat Zwart zich ook op a2 of c2 kan bedienen is dat iets wat je gewoon niet doet als er wezenlijke problemen op te lossen zijn. Over de volgende paar zetten moest ik goed nadenken. Kon ik me de koningszet permitteren? Was het opspelen van de h-pion goed?
19 Td4!, Kg7 20 Tfd1, h6 21 Df4, Db5 22 Pe5, Le6 23 g4, Tae8
Van de ontwikkelingsvoorsprong van Wit is inmiddels niets meer over. Hij staat een pion achter en ofschoon hij over praktische kansen beschikt staat hij nu wel minder. Hij zal echt in de aanval moeten winnen, of… verliezen. Zwart heeft zich ingehouden waar het om het grote vreten gaat: slechts een pion heeft hij extra. Maar de druk zit bij Wit. In een dergelijke situatie is het gemakkelijk je hand te overspelen…
24 Td6, De2 25 h4? Ld5!
Met zijn vijfentwintigste zet is Matthew definitief te ver gegaan. De zet h4 ziet er misschien dreigend uit, maar objectief is de witte koningsstelling nu minimaal zo winderig als de zwarte. Zwarts reactie is een directe weerlegging van de wilde opstoot. Mijn jeugdige tegenstander moet dat al snel onderkend hebben, want spoedig hierna begon hij heel snel te spelen.
De jeugdspeler hoopte misschien mij, stokoude man, tot snelle, foutieve zetten te verleiden. Maar daar ben ik net even te geroutineerd voor, al zeg ik het zelf. De vis werd als volgt op het droge gebracht:
26 Df6+, Kg8 27 T1d5x, cd5x 28 Td5x, Dc2x 29 Pd7, Te1+ 30 Kh2, De4 31 Dd6, Th1+
32 Kg3, Tg1+ 33 Kh3, Dg2# (0-1)
□
