Inhoud
Doctor doceert
XLVII. Het Goede Gevoel (2)
Het is alweer een tijdje geleden dat ik U schreef over Het Goede Gevoel tijdens een schaakwedstrijd. Daar knoop ik nu een tweede deel aan vast. Maar dit tweede deel heeft een heel andere invalshoek.
Het doel van de beide spelers van een schaakpartij staat in de reglementen nauwkeurig omschreven. Iets minder nauwkeurig, maar glashelder is de volgende omschrijving: ieder der combattanten wil in principe winnen. Toegegeven, als je tegen een veel sterkere tegenstander moet aantreden ben je vermoedelijk ook wel tevreden met een remise. Maar die remise is in dat geval dan ook meer dan een halve winst. Sterker, het is een morele overwinning.
Hoe reageer je als schaker op een verliespartij? Of beter nog: hoe zou je als schaker moeten reageren op een verliespartij? In veel gevallen weet ik vrij snel waar ik het fout heb gedaan. De partij heeft zijn functie als leermoment gehad en omdat ik liefst niet bij voortduring aan de partij wil worden herinnerd verdwijnt de notatie in het toilet. “Helemaal fout!” sprak de jongeheer Coene onlangs nog tot mij, “Voor straf moet je de partij ettelijke malen blijven naspelen. Het moet pijn blijven doen.” Het is een moreel hoogstaande opvatting en ik neem aan dat Coene zijn verliespartijen voortdurend blijft naspelen. Mijn darmstelsel en mijn ego, daarentegen, verzetten zich tegen deze vorm van zelfkastijding. Ik ben een slappeling, ik geef het volmondig toe.
Maar er is meer. Ik schreef zojuist dat je doel als schaker moet zijn om te winnen. Maar dat is wat mij betreft maar de halve waarheid: je wilt natuurlijk ook een goede partij spelen. Wat “goed” is hangt daarbij van je eigen sterkte af. Immers, ook de partijen die “goed” zijn zullen bij inspectie door een schaker van het allerhoogste niveau tot veel gefrons aanleiding geven. We hoeven onszelf niet al te veel illusies te maken. Zo is het gewoon. Ik moet het daarom misschien beter formuleren. Je wilt partijen spelen waar je een goed gevoel aan overhoudt. Het Goede Gevoel, daar is het weer!
Niet alleen de meeste van mijn verliespartijen verdwijnen, ook verreweg de meeste van mijn winstpartijen en remises. Bij het naspelen ontdek ik soms dat mijn tegenstander planloos heeft zitten spelen, of een bok heeft geschoten die ik had laten passeren, of zichzelf zonder aanwijsbare reden met een fatale zwakte heeft opgezadeld. Soms ontdek ik dat er een voor de hand liggende winst is blijven liggen, dat mijn tegenstander een eindspel toch nog wel redelijk eenvoudig had kunnen overleven, etc. In al zulke gevallen ben ik sterk geneigd de partij in kwestie de vergetelheid in te duwen. Enige tijd geleden vertelde onze clubkampioen dat hij al zijn partijen digitaal aan het opslaan was. Daarbij was hij ook een paar partijen tegengekomen die hij – lang geleden – van mij had verloren. Een partij liet hij mij op de club zien, maar ik was blank. Ik informeerde nog of er misschien een mij onbekend familielid tegen hem had gespeeld, of hij de naam niet verkeerd had gehoord. Maar Bannink hield vol. Om kort te gaan, hij stuurde me de partij op. Ik speelde hem na en inderdaad begon ik me te herinneren dat ik deze Tarrasch gespeeld had. Ik was verrukt over mijn eigen voortreffelijke inzicht. Ik wist wel dat ik het kon! Totdat ik ergens bij zet achtendertig of daaromtrent belandde. In gewonnen stelling schoot ik een forse bok die mij alsnog de partij had moeten kosten, maar de jongeheer Bannink revancheerde zich bij de eerstvolgende zet op het bokkenvlak en ik won. Toen herinnerde ik me ook dat ik deze partij daarom weggegooid had. Dat we beiden in grote tijdnood hadden gezeten kon ik me nu ook weer herinneren, maar dat beschouw ik niet als een excuus. Bok is bok. Weg ermee!
Maar het gebeurt natuurlijk ook dat ik verlies omdat mijn opponent het allemaal gewoon beter heeft gezien. Hij heeft me verslagen op inzicht, niet op een tactisch lulligheidje dat er toevallig(?) in zat. Dit is een partij die ik vermoedelijk wel zal bewaren. Ik mag de partij verloren hebben, hij geeft me toch een goed gevoel. Na afloop reageer ik niet sikkeneurig, de partij heeft op mijn niveau enige waarde. Om U een gevoel te geven: ik heb tussen de 2260 en 2300 partijen gespeeld en op het moment van schrijven heb ik er 272 in mijn papieren archief bewaard. De helft daarvan heb ik ook digitaal. Dat zijn de partijen die ik ook bij voortgaande analyse aantrekkelijk genoeg vind. Ik zal niet verhelen dat het merendeel van de partijen die ik bewaard heb winstpartijen of remisepartijen zijn. Maar, zoals gezegd, er zitten ook verliespartijen bij.
De nu volgende partij werd gespeeld in 2001 in een KNSB-wedstrijd tegen het altijd lastige Bloemendaal.
Van Zandwijk – MN
Frans
1 e4, e6 2 d4, d5 3 Pc3, Lb4 4 e5, Pe7 5 a3, Lc3x+ 6 bc3x, c5 7 Dg4, Pf5
Na wits dame-uitval moet Zwart de principiële beslissing nemen of hij de wilde varianten ingaat die ontstaan als hij slaan op g7 toestaat na 7…,Dc7, of dat hij het wat kalmer aan wil doen met 7…,0-0 of met de tekstzet. Ik besloot na enig nadenken tot deze rustigere aanpak. Gewoon een kwestie van het gevoel van het moment. Om vooroordelen te voorkomen: dit is geen standaardkeuze van me.
8 Ld3, h5 9 Df4, Dh4 10 Dh4x, Ph4x 11 Lg5, Pf5 12 Pe2, Pc6 13 Lf5x, ef5x 14 Pf4, cd4x 15 Pd5x
In een eerder stadium had Zwart de ruil op d4 kunnen (niet “moeten”) inlassen. Dan had hij eerder een tempo gehad om zijn dameloper naar e6 te brengen. Toegegeven, dat ziet er passief uit, maar het is de consequentie van de keuze van deze variant. Bovendien, Wit moet er nog maar doorheen zien te komen. Dat zal nog niet meevallen. Nu staat er een wit paard op d5, een duidelijk plus voor mijn opponent.
15…, 0-0 16 cd4x, Pd4x 17 0-0-0, Pc6 18 f4, Tb8 19 Td3, Le6 20 Thd1, Tfc8 21 Th3(!), Ld5x 22 Td5x, g6 23 Td7, Pd8 24 Tb3, Pe6
Zwart accepteert pionverlies – hij moet wel – maar wil in ieder geval de loper van Wit van het bord hebben nu de zwarte velden rond zijn koning verzwakt zijn. Verder spelen terwijl er matgrappen via Lf6 of h6 zijn waarmee je voortdurend rekening moet houden is niet te doen. Het resulterende toreneindspel is gunstig voor Wit, maar Zwart is nog niet verloren.
25 Tbb7x, Tb7x 26 Tb7x, Pg5x 27 fg5x, Tc5 28 Tb8+, Kg7 29 Te8, a5 30 Kd2, Td5+ 31 Ke3, Tc5 32 Kd3, Td5+ 33 Kc3, Tc5+ 34 Kb3, a4+ 35 Kb2, Tc4 36 e6, fe6x 37 Te7+, Kf8
38 Te6x, Kf7 39 Tf6+, Kg7 40 Ta6, Tg4 41 Ta7+, Kg8 42 g3, f4?
Zwart moet zich zo actief mogelijk gedragen. Daarom was het juister geweest om 42…, h4 te spelen, want met deze zet kan Zwart de koningsvleugelpionnen gemakkelijker bedreigen. Misschien had deze zet de partij gered, maar daar ben ik niet al te stellig over. Na ruil op f4 heeft Wit eventjes de handen vrij voor een prettige manoeuvre. En dan is het snel afgelopen.
43 gf4x, Tf4x 44 Td7(!), Tg4 45 Td2, Tg5x 46 c4, Kf7 47 Kc3, Ta5
Principieel beter was nu 47…,Tg1 maar voor de uitslag van de partij had het niet meer uitgemaakt. Wit heeft een vrijpion en de zwarte koning is afgesneden langs de d-lijn. De partij gaat nu uit als een nachtkaars. Er volgde nog:
48 Kb4, Ta8 49 c5, g5 50 c6, Ke7 51 Kc5, Td8 52 Te2+, Kf6 53 c7, Td3 54 Tc2 (1-0)
Welnu, ik heb de partij verloren. Pek en veren, modder en rotte tomaten zijn mijn deel. Maar het was een gevecht met een consequente lijn. Ik heb er ondanks de nul een goed gevoel bij.
►
Aardig genoeg zit er nog een tweede partij in mijn database met dezelfde variant. Het is een van de weinige partijen tegen Bannink die ik niet heb weggegooid. De partij is uit 1998.
B.Bannink – MN
Frans
Als de vorige partij tot zet 7. 7…, cd4x 8 cd4x, Pf5 9 Ld3, h5 10 Df4, Dh4 11 Dh4x, Ph4x 12 g3, Pf5 13 Pe2, Pe7 14 a4, Pbc6 15 La3, b6 16 c3, Pa5 17 Lb4, Pec6 18 Lb5, Ld7 19 Lc6x, Pc6x 20 h4, Pb4x?
Terwijl de salvo’s van hoongelach van (een deel van) de lezers tijdens het schrijven al in mijn oren klinken moet ik mijn keuze toelichten. De loper schijnt oervervelend in mijn stelling.
Ik heb last van dat ding. Weg! Maar deze reactie is kortzichtig, want Wit houdt een dot van een dressuurpaard over, terwijl de Franse dameloper zich van zijn aller-aller-slechtste zijde laat zien. Waarschijnlijk lag de avondmaaltijd nog zwaar op mijn maag. Anders had ik wel 20…,f6 gespeeld. Dan staat Zwart niet minder…
21 cb4x, Ke7 22 Kd2, Thc8 23 Thc1, Tc1x 24 Pc1x, Tc8 25 Pd3, Tc4 26 Ke3, Tc3 27 b5, Tc4 28 Ta3, Kd8
Hier en in het vervolg weiger ik consequent alsnog …,f6 of …, f5 te spelen. Mede daardoor is effectieve weerstand niet mogelijk. Bannink speelt het resterende deel krachtig.
29 f3, g6 30 g4, hg4x 31 fg4x, Tc2 32 Pf2(!), Ke7 33 h5, gh5x 34 gh5x, Kf8 35 Pg4, Tg2 36 Kf3, Tc2 37 Pf6, Ke7 38 h6 (1-0)
Maar schrijverke toch. Je gaat toch niet beweren dat je een goed gevoel hebt bij deze partij?
Had je deze partij niet toch gewoon door de plee moeten spoelen, zoals te doen gebruikelijk?
Ik heb de partij bewaard als een waarschuwing, een “Denkzettel” zoals ze in het Duits zeggen. Niet mijn eigen spel geeft me een goed gevoel, maar het spel van mijn tegenstander. Zo moet het, zo wordt straf uitgedeeld voor een verkeerde ruil. Dat ik daarvan zelf het slachtoffer ben geworden, daar moet ik dan maar even overheen kijken.
Ik heb meer verliespartijen tegen Promotiespelers bewaard. Neen, namen noem ik niet. Daar wordt U maar verwaand van. En nog veel meer winstpartijen heb ik bewaard. Ha! Nu wilt U vast en zeker niet genoemd worden. Ha!
De belangrijkste boodschap van dit stuk is dat U niet alleen naar de uitslag van een partij moet kijken, maar dat U zoveel mogelijk partijen speelt waarvan een nuchtere Grönninger zou zeggen: “Het kon slechter.”
Manuel Nepveu
