Dotor doceert Open Zomertoernooien

Doctor doceert

Doctor doceert                                                       door Manuel Nepveu

 

XLIV  Open Zomertoernooien

 

Ik twijfel er niet aan dat de nazomerse ontboezemingen van de toernooitijgers die elk jaar in de zomer een internationaal open toernooi pakken sommigen op onze club naar hun hoofd doen grijpen. Wie gaat er nu in de zomer schaken? Kun je niet beter gaan fietsen door Drente, bergbeklimmen in de Alpen of misschien zelfs een Weense kathedraal van binnen bekijken? Dat zijn inderdaad allemaal prima activiteiten, maar het zomerse schaken heeft ook wel iets. Toch wel.

 

Wie op een schaakclub speelt weet dat hijzelf, zijn tegenstander er al een dag op heeft zitten. Acht uur werken, het verkeer, een hap eten en dan nog een partij spelen staat niet bij voorbaat garant voor een flitsende prestatie. Een niet nader te noemen speler op onze club klaagde daarover wel eens, wanneer hij een aanvaardbare prestatie om elf uur ’s avonds bedierf door de ongewenste tussenkomst van een forse bok. Ik geloof niet dat zijn klacht in de categorie “flauwe smoezen” viel.

Wie echter in de zomer in de late middag kan gaan schaken, nadat hij niet al te vroeg en op zijn gemak heeft kunnen ontbijten, heeft kunnen rondtoeren door een fraai landschap, een fikse forel heeft kunnen soldaatmaken, een pint heeft kunnen vatten op een terras, wat lotgenoten heeft kunnen afzeiken, zo iemand heeft een bruin leven en hij is in de goede stemming om op het bord wat moois te laten zien. En het lukt misschien ook nog.

Ontspanning is een goede voorbereiding op inspanning.

 

Het verdient ook aanbeveling om zo’n toernooi samen met anderen te spelen. En met anderen bedoel ik dus niet je zoon van twaalf of je eega. Sterker nog, je zoon van twaalf en je eega dienen zich tijdens zo’n gebeurtenis op honderden kilometers afstand te bevinden. Minstens.

Een zomertoernooi speel je samen met andere malloten…eh nee, sorry, met andere schakers.

Wie aan een zomertoernooi wil meedoen dient het leven van alledag gedurende die periode totaal te verbannen. Stel je eens voor, je neemt je eega toch mee, tegen beter weten in.

Dan ontspint zich mogelijk de volgende discussie. “Zeg, het huwelijk van Hans en Mathilde staat op springen. Wist je dat? Hans schijnt betrapt te zijn met een del van zijn werk.” De enige verstandige reactie is dan natuurlijk om te zeggen dat je je nu alleen met de merites van de Franse Ruilvariant wilt bezighouden. Maar je zegt uit irritatie nog net iets meer. Dat Hans en Mathilde wat jou aangaat de bomen in kunnen, waar ze sowieso oorspronkelijk vandaan zijn gekomen. Dat je toch al niet begrijpt waarom je zwager Hans met dat enge paard getrouwd is, en … “Nou, jij bent wel erg meelevend. Kun je niet eens normaal reageren?” Wat je zou willen zeggen is dat die twee tuinkabouters uit Eemnes-binnen je thans totaal niet interesseren, maar dan is het hommeles. Met een hoofdletter H. Dus je probeert: “Sorry, lieve, sorry. Ja, het is vreselijk. Maar ik ben nu even met iets anders bezig.” Weer fout, natuurlijk weer fout.

“Hou toch eens even op met dat malle schaken. Die domme poppetjes ook altijd. Straks om vier uur mag je weer. Dan zal ik je verder niet lastigvallen. Nou even luisteren! Wees eens sociaal!”

En daar zit het hem nou juist. Dat wil je helemaal niet. Niet sociaal zijn, neen helegaar niet!

Dit tafereel escaleert in potentie heel snel en wordt dan bijkans even grotesk als de wreedste scènes uit de toneelstukken van Harold Pinter.

Neen, de exponenten uit je alledaagse leven dienen een flink eind uit de buurt gehouden te worden.

 

Aan de bekende zomertoernooien doen altijd flinke aantallen gekwalificeerde schakers mee: grootmeesters en (FIDE) meesters, GIF-M’s als het ware. Het leuke is natuurlijk om tegen de gekwalificeerden te mogen aantreden en een niet al te gek figuur te slaan. Om ze te grijpen, als het heel erg meezit.

Zoals ik in de verslaglegging van het Open van Andorra al heb aangegeven  (De Promoot,  Jaargang 51-1) is een resultatenreeks die begint met 01010… of 10101 …niet bepaald onwaarschijnlijk als je niet in de echte top of in de echte staart van het ratingklassement zit.

Dat wil zeggen: je “zigzagt” je weg door het toernooi door te verliezen van een “sterke”, en vervolgens te winnen van een “zwakke”. Maar dat betekent niet dat je om de andere ronde je gemak ervan kunt nemen. Iedere ronde moet je werken. In de beginrondes kan het nog wel gebeuren dat je tegen een speler moet die beduidend zwakker is, maar als je normaal of zelfs goed draait worden de verschillen tussen jou en “zwakker” kleiner. Wanneer je tegen een relatief zwakke speler struikelt vergooi je je kansen om in de eerstkomende ronden tegen een GIF-M te mogen. Je moet dus op je hoede zijn. Onderschatten van de tegenstander is een zware zonde waarop idem dito straffen staan. In iedere ronde moet je met het schuim op de mond aan de bak.

Alleen spelers die werkelijk in de staart van het klassement zitten hebben geen kans op een masochistisch avontuurtje. En of zo’n toernooi voor hen nu echt zo verschrikkelijk leuk is …? Tijdens het eerste buitengaatse Open waaraan ik meedeed (Baden-Baden ’93) hoorde ik een kandidaat voor de rode lantaarn na een zoveelste nederlaag kermen: “Ich will ja auch mal gewinnen!” Ter informatie: spelers met een Nederlandse rating van onder de 1850 ongeveer lopen in dit soort toernooien nadrukkelijk het risico om een collega van deze jongeman te worden.

 

Om een gekwalificeerde speler te verschalken (en een remise telt wat mij betreft ook wel als zodanig) moet je risicovol spelen. Punt. Toen Noordhoek mij eens vilein vroeg hoeveel gekwalificeerden door mij waren verschalkt (Hij wist het antwoord, de hond!), moest ik toegeven dat dat er niet zo bijster veel waren geweest. Een FM-etje hier en daar. Dat was het. Hoe kwam dat? En -veel erger nog- hoe kwam het eigenlijk dat deze zelfde Noordhoek GM Wladimir Boermakin ooit op remise gehouden had? Welnu, louter en alleen door een scherpe, onoverzichtelijke zooi op het bord te creëren. En dan maakt ook zo’n speler nog wel eens een fout. Simpel, niet?

Als je daarentegen probeert de zaken overzichtelijk te houden ga je zeker de boot in, want de meester heeft gewoon een betere techniek en een klein nadeeltje blijft dan dus geen klein nadeeltje …Tuurlijk, ik vond het leuk om in Oberwart 2001 GM Robert Zelcic 73 zetten lang te weerstaan, maar de prestatie zat hem hier uiteindelijk alleen in de “hoeveelheid weerstand” en niet in het resultaat. De hele partij was overzichtelijk geweest. De GM moest werken voor de kost, maar dat hij het punt wel zou pakken lag erg voor de hand.

In het afgelopen zomertoernooi heb ik geprobeerd de strijd te verscherpen wanneer dat kon.

In de eerste ronde mocht ik tegen een zeventienjarige knul met een rating van 2482. Hij was ten tijde van het Andorra Open officieel nog titelloos, maar zou op het komende FIDE-congres tot IM worden benoemd. Zijn eerste grootmeesterresultaat had hij toen trouwens ook al op zak.

 

MN(2083)-V.Jeremic(2482), Andorra Open, ronde 1

Grünfeld-Indisch

1 c4, Pf6 2 Pc3, d5 3 d4, g6 4 cd5x, Pd5x 5 e4, Pc3x 6 bc3x, Lg7 7 Pf3, 0-0 8 Le3, c5 9 Dd2, Lg4 10 Le2, Da5 11 Tc1, Td8 12 d5, Pc6 13 0-0, e6 14 Tfd1, ed5x 15 ed5x, Lf3x 16 Lf3x, Pe5  17 Le2, c4!

Volgens Fritz7 hebben we met Zwarts elfde zet zijn openingsboek verlaten. Dat betekent natuurlijk niet dat alles tot dan toe in een mum van tijd op het bord gekomen was. Integendeel, vooral mijn jonge tegenstander had er ruim de tijd voor genomen. Ikzelf had na zet 12 het idee dit stellingsbeeld nog niet eerder te hebben gezien. Bij zet 15 ruilt Zwart zijn loper tegen het witte koningspaard en dat levert hem meer handelingsvrijheid op voor zijn eigen ros. Ik heb hier ernstig nagedacht over 16 gf3x!?, in de wetenschap dat dit tijdwinst oplevert ten opzichte van de tekstzet. Immers, het lopertje moet logischerwijze toch weer naar e2 terug na een te verwachten …Pe5.

De zeventiende zet krijgt een uitroepteken van mij (Fritz7 is zuinig met zijn loftuitingen). Als Zwart zijn paard op d3 kan nestelen heeft Wit een probleem. Zwart heeft echter geen haast.

18 Tc2, Td7 19 f4, Pd3 20 Lf3!?

Wit wil op zet 19 duidelijkheid en die krijgt hij. Op de volgende zet moet hij vervolgens een principiële beslissing nemen. Hij kan spelen 20 Ld3x, Td5x 21 Ld4, cd3x 22 Dd3x. Hiermee heeft Wit de troef van zijn stelling, de stralende pion op d5, opgegeven. Fritz7 beweert dan wel dat deze variant gelijkspel oplevert, maar ik denk dat Zwart iets beter staat en dat een sterkere speler daar iets mee kan. Met de tekstzet, 20 Lf3, bouw ik op de sterkte van pion d5, wel wetende dat deze beslissing me materiaal zal kosten. Immers, het paard op d3 kan ik natuurlijk niet eeuwig laten leven ….

20 …, f5 21 De2, Da6 22 Tcd2, Lc3x 23 Td3x, cd3x 24 Td3x, Lf6 25 Dd2, Kg7 26 g4

Wie a zegt moet b zeggen: voor angsthazerij is geen tijd. Het witte loperpaar moet alle ruimte krijgen. Dan maar een winderige koningsstelling!

26 …, fg4x 27 Lg4x, Td6 28 Lc5, Tdd8 29 d6, Dc4

Het tempo dat Zwart vermeend weggaf op zet 27 krijgt hij nu weer terug. Kennelijk ziet mijn electronische hulp dat ook zo, want hij mekkert niet. Overigens, Zwart staat beter volgens Fritz7. Kan heel goed, ik weet het niet.

30 Lf2, Kh8 31 Lh3, Tf8 32 d7, b6 33 Td6, Tad8 34 Tf6x!?

Daar gaat de tweede kwaliteit. Mijn opponent schrok en verzonk in diep gepeins. Hij had nog maar een paar minuten tot de eerste tijdcontrole en keek regelmatig nerveus op de klok. Kicken, mensen, kicken!

34 …, Tf6x 35 Ld4, Df7 36 Dc3, Kg7 37 Dc7, De7 38 Le5, Kh6 39 Da7x?

Een belangrijk psychologisch ogenblik. Wit moet beslissen of hij de kwaliteit terughaalt of niet. Fritz7 raadt hier tot 39 Lf6x, Df6x 40 De5 met nog altijd duidelijk beter spel voor Zwart.

Ik kan van mijn loperpaar geen afscheid nemen en besluit tot iets dat je als een verlegenheidszet kunt beschouwen. Zelfs als iemand uit het negende achttal dit had gespeeld was ik nog in een hatelijk lachen uitgebarsten! Dan nog zou ik fiolen van minachting over de armste hebben uitgestort! Natuurlijk staat de witte dame hier vreselijk buitenspel en Zwart neemt bliksemsnel het initiatief over dat hem op een gouden presenteerblaadje wordt aangeboden. Ik dacht dat het kon lijden. Een absurde gedachte, hersenspinsels van een ontoerekeningsvatbare!

In het vervolg doet Zwart het minder agressief dan Fritz7, die onmiddellijke dreigingen opstelt (en die de stelling terecht als totaal gewonnen voor Zwart beschouwt), maar wie zal het de jonge meester in tijdnood kwalijk nemen?

39 …, Dc5+ 40 Kh1, Tff8 41 Dc7, Dc7x 42 Lc7x, b5 43 Ld8x, Td8x 44 a3, Kg7 45 Lf1

Angst voor pion b5 dicteert deze zet. Het betere en door mij ook lang overwogen Kg2 verliest op den duur natuurlijk ook. De rest blijkt techniek.

45 …, Td7x 46 Lb5x, Td2 47 a4, Ta2 48 Ld7, Kf6 49 Kg1, Td2 50 Lc6, Kf5 (0-1)

 

Het is me dus weer niet gelukt een speler van meestersterkte te grijpen, maar ik heb in ieder geval gevochten en risico’s genomen.

 

Ook in de zogenaamde gemakkelijke rondes moet je op je tellen blijven passen en vooral je tegenstander niet onderschatten. In een zo’n partij in Andorra kreeg ik een goede mogelijkheid, vond hem niet goed genoeg, zag ervan af en bemerkte even later dat ik op andere wijze minder dan niets bereikte en begon me te ergeren. Vervolgens keek ik te exclusief naar één deel van het bord en verloor hout op een ander. Mijn tegenstander won vervolgens kordaat, alsof hij wél een internationale rating had … Of ik de naam van die tegenstander verdrongen heb? Dat lukt me maar niet. Iedere week op dinsdagavond hallucineer ik dat ik hem weer zie. Ik moet toch eens met iemand gaan praten.

Maar er zijn ook gevallen waarin het gewoon goed gaat.

 

Mercedes Herrero Crespo -MN(2083), Andorra Open, ronde 4

Frans

Mercedes was een Spaanse van vierentwintig die mijn hormonen zeker een ongemakkelijke middag had kunnen bezorgen, als ze zich wat anders had uitgedost. Nu kon ik mij goed concentreren. Haar nationale rating was1873.

1 e4, e6 2 d4, d5 3 ed5x, ed5x 4 c4

De tweede tegenstander die ik met Zwart bestreed en de tweede die op zet drie aan het ruilen sloeg. Maar met haar vierde zet geeft ze aan dat zij niet op een halfje uit is.

4 …, Pf6 5 Pc3, c6 6 Ld3, dc4x 7 Lc4x, Ld6 8 Pge2, 0-0 9 0-0, Lg4

De zet oogt wat provocatief. Zou Mercedes de loper direct gaan ondervragen? Zo ja, dan zou dat met een kleine verzwakking van de koningsstelling gepaard gaan. Je moet je tegenstander alle kans geven om beslissingen te nemen die met een zeker risico verbonden zijn …

10 Te1, Pbd7 11 Dd3?!

Kijk, dat zijn de zetten. De dame staat hier ongedekt en dat noopt tot onderzoek. Zit er vuns in de stelling, positioneel venijn? Inderdaad. Ik had nu direct een tactische troef kunnen uitspelen, maar ik doe eerst nog een andere zet (nummer twee op de lijst van Fritz7). Mijn electronische raadgever vond dat de dame naar op zet 11 naar c2 had gemoeten, waarna Zwart toch ook al een klein voordeeltje heeft.

11 …, Te8 12 Le3, b5! 13 Lb3, Pc5 14 Dc2, Pb3x 15 ab3x

Via een tactische grap, berustend op de ongedekte dame, heeft Zwart de witte koningsloper van het bord gekregen. In dit soort open stellingen is dat een duidelijk voordeel en Fritz7 vindt dat Zwart merkbaar beter staat. Met haar vijftiende zet geeft mijn tegenstandster aan dat ze de half-open a-lijn wil gaan benutten. Het oogt agressief, maar het resultaat blijkt tegen te vallen.

15 …, Dd7 16 Pg3, h5 17 Ta6, h4 18 Pf1, Lf5 19 Dd2, h3 20 Pg3, hg2x 21 d5?

Met haar openingskeuze en ook nog eens met haar vijftiende zet had Mercedes aangegeven enige voortvarendheid aan de dag te willen leggen. De tekstzet is inderdaad voortvarend, voortvarend over de grens van het toelaatbare. Met 21 Pf5x had zij nog wel een tijdje met haar mooie gelakte nageltjes aan de dakgoot kunnen gaan hangen. Zwart maakt er nu een eind aan.

21 …, Lg3x 22 hg3x, b4 23 Pe2, Le4 24 Pf4, Pd5x 25 Pg2x, Dh3 (0-1)

Wit gaat mat of verliest hout.

 

                                                                                                                           Manuel Nepveu

 

Scroll naar boven