Het jaar 1916 is opmerkelijk geweest in de wetenschap: Albertus Magnus publiceerde een van de grote creatieve prestaties van de mensheid, de algemene relativiteitstheorie. In datzelfde jaar werd Claude Elwood Shannon geboren in Michigan. Ook hij zou een uiterst creatieve persoonlijkheid blijken te zijn. De Amerikaan studeerde af als elektrotechnicus en als wiskundige en in het jaar 1937 schreef hij volgens een hoogleraar uit Harvard “possibly the most important master’s thesis of the century.” In die scriptie legde Shannon een verband tussen elektronische schakelingen en een vorm van algebra ontworpen door de negentiende-eeuwse logicus George Boole. De Booleaanse algebra maakt het mogelijk om te “rekenen” met uitspraken die logische voegwoordjes als “en”, “of”, “niet” bevatten. In een elektrische schakeling waarin maar twee opties bestaan (stroompje loopt /loopt niet), afhankelijk van de stand van een aantal switches (open /gesloten), blijkt toepassing van deze algebra extreem handig te zijn. Als gevolg van het door Shannon gelegde verband konden elektronische schakelingen met de gewenste specificaties in hun eenvoudigst mogelijke vorm op papier ontworpen worden. Moeizaam experimenteren behoorde daarmee tot het verleden.
Maar hiermee was Shannons creativiteit nog lang niet uitgeput. In het jaar 1948, toen Shannon bij Bell Telephone Laboratories werkte, publiceerde hij “A Mathematical Theory of Communication”. Deze publicatie maakte Shannon tot de grondlegger van de informatietheorie. In dit artikel werd het begrip informatie-entropie geïntroduceerd en dit begrip zou in veel wetenschapsgebieden uiterst waardevol blijken. Weer een jaar later verscheen “Communication Theory of Secrecy Systems” waarmee Shannon een bijdrage aan de cryptografie leverde. Geen onbelangrijk onderwerp, zoals tijdens WO II wel was gebleken.
Tenslotte pionierde Claude Shannon ook nog op het gebied van het computerschaak. Het artikel “Programming a Computer for Playing Chess” uit 1950 was volgens computerschaak expert David Levy het eerste artikel op dit gebied. Shannon introduceert daarin twee zoekstrategieën die ook heden ten dage nog in een of andere vorm een rol spelen in schaakprogrammatuur.
Shannon produceerde dus op het snijvlak van ingenieurmatige en wiskundige expertise. Er wordt wel gezegd dat spannende ontdekkingen juist gebeuren op snijvlakken van disciplines. Shannon getuigde daar al van rond het midden van de vorige eeuw en daarbij was hij een waarlijk orgiastische fontein van Creativiteit -inderdaad, met een hoofdletter.
Tot slot heb ik nog een pijnlijke observatie, expres voor het laatst bewaard. Aan het begin van zijn artikel over het computerschaak schrijft Shannon fijntjes: “Although perhaps of no practical importance,the question is of theoretical interest, and it is hoped that a satisfactory solution of this problem will act as a wedge in attacking other problems of a similar nature and of greater significance.” Zonder zelf een ook maar enigszins belangwekkend schaker te zijn, heeft Shannon de ontwikkelingen in het schaken diepgaander beïnvloed dan het overgrote merendeel van de professionele schakers, met of zonder grootmeestertitel. En hij deed dat als het ware achteloos, in het voorbijgaan, op weg naar hogere doelen. “Pak aan!” roept de altijd sympathieke Eggink ergens onder mijn hersenpan …
