Een miraculeuze remise door Nico Peerdeman
Op 4 maart 2006 speelde het 2e de belangrijke wedstrijd om lijfsbehoud in de KNSB tegen Utrecht 3. Vooraf stonden beide teams op 2 matchpunten. Winst zou zo goed als zeker handhaving betekenen. (Dat bleek in de laatste ronde toch nog zwaar tegen te vallen). Ondergetekende smaakte dit seizoen 3 maal het genoegen om als invaller aan te treden in het 2e. De eerste 2 optredens hadden 2 remises opgeleverd.
In deze wedstrijd mocht ik het aan het 3e bord met wit opnemen tegen 1 van de coryfeeën van de schaakvereniging Utrecht. Mijn tegenstander Andre Schenk is geen onbekende in Utrechtse schaakkringen. Jarenlang speelde hij Utrecht 1 in wat toen nog Hoofdklasse heette (nu Meesterklasse). Wel had hij zo’n jaar of 10 geen schaakstuk meer aangeraakt, maar was dit seizoen aan een comeback begonnen.
Ook staat er een bijzonder feit op zijn naam. Op 7 mei 1981 overleed de toendertijd zeer bekende Nederlandse schaker Eduard Spanjaard achter het schaakbord. Andre Schenk was zijn tegenstander. Deze Eduard Spanjaard genoot vooral bekendheid vanwege het volgende fragment:

Donner-Spanjaard
Veenendaal 1961
Zwart kwam in een schijnbaar kansloze stelling met een opmerkelijk offer na:
1. Tha7? Th1+! 2. Kxh1 Kg3 en ondanks zijn grote materiële overwicht kan wit mat niet meer voorkomen.
De partij: Peerdeman – Schenk, Utrecht, 4 maart 2006, bord 3
Na een zeer scherpe partij waarin wit een grote kans in de opening had gemist ontstond een moeilijk staand toreneindspel.

1. Txa2
Bittere noodzaak omdat Ta4 dreigde.
1…, Kxa2
Dit eindspel is gewonnen voor wit.
2. Ke3 Td1
2…, Th4 was een andere methode 3. f4 Kb3!
(3…, Txh2? Zwart mag de h-pion niet te snel slaan. 4. Kd4! Tf2 5. Ke5 Kb3 6. f5 Kc4 7. f6 Kc5 8. Ke6= Dit is een theoretische remisestelling 8…, Kc6 9. f7 Kc7 10. Ke7 Te2+ 11. Kf6 De zwarte koning staat net te ver weg.)
4.Ke4 Kc4 5.Ke5 Kc5 6.f5 Rxh2 7.Ke6 Kc6 en zwart is op tijd zoals bv. blijkt uit: 8.f6 Re2+ 9.Kf7 Kd7 10.Kg7 Rf2 11.f7 Ke7
3. Ke4 Kb3 4. f4 Kc4
Zodra zwart de oppositie heeft genomen worden torenschaaks van onder zeer effectief.
5.Ke5
5. h4 – lopen met de h-pion leidt ook tot niets- 5…, Te1+ 6. Kf5 Kd5 7. h5 Th1 8. Kg6 Ke6 en nu:
A) 9. h6 Tg1+ – In dit type stelling is het hebben van een extra pion een nadeel –
10. Kh5 (10 .Kh7 Kf5 11. Kh8 Kf6 12. Kh7 Th1 13. f5 Kf7 14. f6 Th2 15. Kh8 Txh6 mat) 10…Kf5;
B) 9.f5+
5…, Td5+
Leidt een mechanisme in waardoor de f-pion geforceerd verloren gaat.

6. Ke6 Kd4 7. f5 Te5+ 8. Kf6 Ke4 9. Kg6 Txf5 10. h4 (Zie diagram)
Zwart heeft op systematische wijze de f-pion gewonnen. Wit kan alleen maar lijdzaam toezien dat ook de h-pion verloren gaat.
10. …, Tf1?
Hiermee verspeelt zwart een belangrijk tempo. Dit tempo maakt van een gewonnen stelling ineens een theoretische remisestelling! Van wit wordt dan wel nauwkeurig spel verwacht. 10…Kf4 won eenvoudig, via een soortgelijk mechanisme als eerder. 11. h5 Tg5+ 12. Kh6 Kg4 en de h-pion gaat verloren.
11. h5 Ke5 12. h6 Ke6 13. Kg7!
Omzeilt de eerste valkuil 13. h7? Tg1+ 14. Kh6 Kf7 15. h8P+ Kf6 16. Kh7 Tg2 en zwart wint.
13…, Tf7+ 14. Kg6!
Opnieuw nauwkeurig. 14. Kh8? Kf6 15. Kg8 Ta7 16. Kh8 Kg6 17. Kg8 Ta8 mat;
14. Kg8? Kf6 15. h7 Kg7+ 16. Kh8 Ta7 17. Kg8 Ta8 mat
14…, Tf2 15. Kg7 Tg2+ 16. Kf8!
De beste. 16. Kh8 is een leerzame fout in dit eindspel. Wit kan op pat spelen maar mag dat niet te vroeg doen. 16…, Kf6 17. h7 Ta2 18. Kg8 Ta8 mat; 16. Kh7 Kf7 17. Kh8 Tg8+ 18. Kh7 Tg6 19. Kh8 Txh6 mat
16…, Th2 17. Kg7 Tg2+
en hier bood zwart remise aan op basis van de volgende variant:
18. Kf8 Th2 19. Kg7 Ke7 20. h7 Tg2+ 21. Kh8 Kf7 Pat! ½-½
Een zwaar bevochten half punt dat een wereld van verschil maakte. In plaats van 4-3 werd het ineens 4,5 – 3,5. Normaal ligt in het eindspel niet mijn echte kracht, maar dit
half punt smaakte als een overwinning. ►
In een bekroonde studie ben ik deze thematiek opnieuw tegengekomen.
Harold van der Heijden
Rozlov-40 JT, 2003

1. d3!!
Een onwaarschijnlijke zet met 2 verborgen pointes. Wit kon op allerlei manieren de fout ingaan:
A) 1.h4 Th3 2.Kg5 Kb3 3.h5 Kc4 4.h6 Kd5 5.Kg6 Ke6 6.Kg7 Ke7
Als zwart de oppositie kan innemen zijn schaaks van achter winnend.
7.h7 Tg3+ 8.Kh8 (8.Kh6 Kf7 9.h8P+ Kf6) 8…Kf7 en wit gaat mat;
1.Kg4 Tb1 2.h4 Kb3 3.h5 Kc4 4.h6 Kd5 enz.;
1.d4 Th3!
Een belangrijk verdedigend idee: zwart blokkeert de h-pion niet zozeer om deze onmiddellijk te veroveren, maar om wit te dwingen met de d-pion te spelen.
2.d5 Kb3 3.d6 Kc4 4.Ke5 (4.d7 Td3 5.Kg5 Txd7 6.h4 Kd5 7.h5 Ke6 8.Kg6 Td1) 4…Kc5 5.d7 Td3 6.Ke6 Kc6
1…Txd3
Alle alternatieven falen:
A) 1…Tb1 2.h4 Kb3 3.h5 Th1 4.Kg5 en nu blijkt de eerste pointe van 1. d3!! De zwarte koning kan niet de kortste route nemen naar de koninsvleugel en verspeelt 1 tempo. En dat is precies het verschil tussen winst of remise.
4…Kb4 5.h6 Kc5 6.Kg6 Kd6 7.h7
De pion op h7 bindt de toren aan de h-lijn, zodat zwart geen tijd meer heeft om de d-pion te winnen. 7…Ke7 8.d4 (8.Kg7? Tg1+) 8…Kf8 9.d5 Th2 10.d6;
B) 1…Rb5 afsnijding van de koning langs de 5e rij sorteert niet het beoogde effect
2.h4 Kb3 3.Kg4 Kc3 4.h5 Kd4 5.h6 Ke5 6.h7 Tb8 7.Kg5 Ke6 8.Kg6
2.h4 Kb3 3.h5 Kc4 4.h6 Kd5 5.Kf5 Rh3 6.Kg6 Ke6 7.Kg7
Hiermee is een overgang naar de partijstelling bereikt met als enige verschil dat daar de toren op f2 stond. In beide gevallen is de stelling een standaardremisestelling. Nu blijkt de 2e pointe van de studie. Deze stelling is alleen remise doordat wit zijn d-pion niet meer heeft! ½-½
