Het was nog één dag mooi weer en dus stond een 60-plusser in korte broek en glimmend gepoetste bruine schoenen bij de visboer opgewekt uit te leggen dat in de kant-en-klare barbecueschotels iets minder zalm en iets meer garnaal zou moeten. Dat zou het geheel iets pittiger maken en met een glas witte Bordeaux …. Het duurde maar en duurde maar en de visboer ging enthousiast mee in het gesprek. Op dat moment werd ik een sterk voorstander van verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd tot 70 jaar en voor deze lul minstens tot 80. [Hé, de spellingscontrole kent het woord lul niet. Kutprogramma [Kent-ie ook niet. Droplul? Ja, die wel!]].
Toen ik een pak voorgebakken volkorenbroodjes open maakte, bleken ze beschimmeld te zijn. De houdbaarheidsdatum was nog lang niet overschreden. “Het spijt me, meneer, maar dat kan gebeuren met voorgebakken brood”, zei de jongen van de klantenservice, en hij gaf mij de € 1,50 terug waarvoor ik het pak had gekocht. Waarop ik concludeerde dat de klant er op bedacht moet zijn dat deze winkel bedorven waar verkoopt. Volgens de jongen was dat niet zo. Die lefgozer zal het nog ver schoppen in het zakenleven of in de politiek. Hij had de bedorven waar nota bene net teruggekocht!
“Ik ben een vredelievend mens, maar ik word razend als ik onrecht zie”, placht Zalman Kamionker in Het lot van de familie Meijer te zeggen [belezen, hè?].
Een dierbare vriendin is overleden. Na een slopende ziekte, zoals dat heet, maar dat verandert niets aan het resultaat. Schaken kon ze niet; al het andere wel.
Het is me opgevallen hoe hoog de emoties kunnen oplopen over iets wezenlijk onbetekenends als schaken. Daarmee wil ik het probleem van de omgekeerde toren geenszins bagatelliseren. Ik begrijp het wel. Het blijft toch ons schaken. En het is een prachtig en verslavend spel. Daarom is het gevaarlijk. Iets onbetekenends dat gevaarlijk is – we moeten oppassen dat de Tweede Kamer daar geen lucht van krijgt, want voordat je het weet komt er een debat en heb je de ministers Klink en Rouvoet op je dak.
Schaken wordt gevaarlijk als het je belangrijkste referentiekader wordt. Dat schoot mij door het hoofd toen ik Hans Böhm op de televisie zag. Mister Chess wil het integratievraagstuk oplossen met schaken. Met de schaakkaravaan trekt hij regelmatig door Amsterdam en omstreken en dan ziet hij hoe allochtone en autochtone kinderen in alle harmonie samen spelen. Taalbeheersing is geen probleem, want tijdens een schaakpartij mag je toch niet met elkaar praten. De kans op vechtpartijen is gering omdat je op een stoel zit. Als schaker moet je je bovendien verdiepen in de gedachten, plannen en motieven van de tegenpartij, van de ander. Dat bevordert het onderlinge begrip en dat is goed voor de integratie. De overheid moet daarom meer geld in het schaken steken.
Mooi plan, slim uitgedacht. Maar ook een typisch voorbeeld van een gebrek aan relativering. In alle takken van sport kun je voorbeelden van succesvolle integratie vinden. Er zijn boksscholen die allochtone jongeren uit de criminaliteit halen en zorgen voor een goede verstandhouding tussen jongeren van verschillende afkomst. Eerst elkaar lekker sportief op de bek slaan en daarna als vrienden gaan stappen.
Het is natuurlijk heel goed dat Böhm wil helpen bij het oplossen van een groot maatschappelijk probleem. Zijn plan heeft echter ook iets weg van een ouderwetse koehandel – wij helpen jullie met de integratie van allochtonen, jullie helpen ons met geld. Het is politiek.
Böhm sprak namens OokU, de nieuwe ouderenpartij van Jan Nagel. [De tijd eist zijn tol.] Nagel heeft verkondigd dat zijn partij wel eens in de regering zou kunnen komen. Alsof de ellende in dit land al niet groot genoeg is. Maar met zoveel vitale ouderen die niets beters te doen hebben dan te ouwehoeren over visbarbecues, kon je erop wachten.
