Fluwelen onverbiddelijkheid door Manuel Nepveu

Al eerder heb ik iets geschreven over mijn liefde voor mooie schaakboeken, de boeken die je als liefhebber graag in je boekenkast hebt. Daar hoort het toernooiboek over het Stauntontoernooi in Groningen uit 1946 zeker bij. Het toernooi heeft op zijn minst twee prachtige eindspelen opgeleverd: het magnifieke toreneindspel tussen  Botwinnik en Euwe en het ongelijke lopereindspel tussen Euwe en Yanovski. Iedereen die serieus werk gemaakt heeft van het eindspel is deze twee eindspelen zeker tegengekomen. In het moderne standaardwerk “Grundlagen der Schachendspiele” van Mueller en Lamprecht worden ze overigens beide behandeld.

Maar er is meer. Onopvallend, als het ware verscholen, staat er in het toernooiboek een prestatie van Smyslov die volgens mij nooit de aandacht heeft gekregen die het verdient. Het is de partij die de Rus met wit speelde tegen de Belgische deelnemer Alberic O’Kelly de Galway. Wie? O’Kelly de Galway, meermaals kampioen bij de zuiderburen. Niet heel bekend, maar even zo goed tot grootmeester benoemd in een tijd dat er over de hele planeet slechts “tig” grootmeesters waren. En ook nog wereldkampioen bij de correspondentieschakers in de periode 1959-62. Tegen deze O’Kelly speelde Smyslov zijn prachtpartij. Misschien is het een idee dat u eerst de partij zelf naspeelt. Op het internet zweeft hij rond en het zal u geen moeite kosten hem te pakken te krijgen. Ik besef dat sommigen onder u, na kennis genomen te hebben van de partij, zich zullen afvragen wat er nu zo mooi aan is. Het is toch een doodgewone partij waarin een wereldkampioenskandidaat een mindere godheid verslaat? Wat is er nu zo bijzonder aan?

Er komt een variant van het Catalaans op het bord die nu vrijwel niet meer wordt gespeeld. Zwart heeft moeite met de ontwikkeling van zijn damevleugel. Overigens wel eigen schuld, dikke bult. O’Kelly probeert door vereenvoudiging verlichting te krijgen. Het lukt niet. Smyslov doet simpele zetten, jast zijn e-pion op het juiste moment naar voren en vergroot zijn voordeel door almaar af te ruilen. Uiteindelijk blijven bij Zwart toren en loper over die niet zoveel te vertellen hebben, simpelweg omdat ze niet kunnen samenwerken. Uiteindelijk stort Zwart zich in het zwaard in een laatste poging om in vredesnaam iets te doen, want anders gaat Wit er met een opgewekte koningsmars een einde aan maken. Het doek valt. Het maakt allemaal zo’n eenvoudige indruk. Je zou denken dat je dit zelf ook kan, maar dat is grootheidswaanzin. De partij loopt af als een wekker waarvan de veer is gesprongen. Het is zo logisch, tortuur met kleine middelen. Er spatten geen vonken af en dat is misschien ook wel de reden dat de partij geen grote bekendheid verworven heeft. Maar voor mij is dit genieten, schoolvoorbeeld van fluwelen onverbiddelijkheid.

 

Scroll naar boven