Gefronste Wenkbrauwen

“Gefronste Wenkbrauwen” Manuel Nepveu

Stelt U zich eens het volgende gedachte-experiment voor. Een Germaanse soldaat die in het jaar 9 meehielp de Romeinse generaal Varus in het Teutoburgerwoud te verslaan, wordt tot leven gewekt en overgebracht naar het Drentse Ane in het jaar 1227. Op de betreffende hete julidag ziet hij in de verte enige honderden mannen te paard. Ze zijn geharnast en dat komt hem bekend voor. Hij ziet dat ze zwaarden hebben en lansen. Er loopt ook voetvolk bij. Anders uitgedost dan hij, maar hij ziet dat ze een dolk dragen. Dat kent hij. De dolk, de “pugnans” van de Romeinen kent hij van nabij.
Hij bevindt zich tussen boeren die knuppels hebben en zwaarden en hooivorken. Het komt hem zeer waarschijnlijk bekend voor. Afgezien van het taaltje dat zijn Drentse kornuiten spreken, is de situatie niet raar. Hij zou het liefst dapper meevechten en menige ridder van Bisschop Otto met zijn snufferd in het moeras duwen.

We vervolgen ons gedachte-experiment. De soldaat wordt overgebracht naar het Groningse Heiligerlee in het jaar 1568. Sommige van zijn nieuwe maten hebben lansen en zwaarden, maar er lopen ook mannen rond met lange apparaten die “haakbussen” of “musketten” worden genoemd. Als hij voor het eerst ziet hoe dat apparaat wordt gebruikt, schrikt hij. Maar het went snel, het nieuwtje is er heel gauw af. Er sneuvelen in de slag trouwens niet veel van zijn collega’s.

Onze soldaat wordt nu in het kader van ons gedachte-experiment naar Valmy overgebracht, september 1792. Hij ziet daar heel veel mannen tegenover elkaar staan, maar ze doen bijna niets. Wonderlijk! Hij ziet dat er aan beide zijden grote apparaten gedurende uren vuur spuwen.
Het aantal slachtoffers is overzichtelijk, nog geen vijfhonderd in totaal. De kanonnen, zoals deze apparaten kennelijk worden genoemd, richten niet veel schade aan. Maar het maakt allemaal wel lawaai en is op een bepaalde manier indrukwekkend. Het is volkomen nieuw voor de Germaan.

Nu bevindt onze oude Germaan zich plotseling in Königgrätz, 1866. Hij kan al lang niet meer tellen hoeveel manschappen er hier tegenover elkaar staan. Hij hoort dat het er ruim 400.000 zijn. Er doen 1350 kanonnen mee in het gevecht dat volgt. Deze kanonnen bulderen oorverdovend en zijn nu hoogst effectief. Als onze Germaan hoort dat er na de slag zo’n 16000 doden en vermisten zijn en ongeveer evenveel gewonden schrikt hij zich een hoedje.

Vervolgens maakt onze Germaan een toer langs de slagvelden uit de Eerste Wereldoorlog. Hij is bij Ieper, 1915, waar hij ziet dat er een giftig gas over de velden nevelt. Hij ziet in Verdun, 1916, dat tientallen mannen over een heuvelrug klimmen en enkele seconden later dood omvallen. Wat is hier aan de hand?
In het kader van ons experiment is hij erbij als in 1940 tientallen ijzeren vogels uit elkaar spattende objecten laten vallen op een waanzinnig groot dorp met veel grote stenen gebouwen en krankzinnig veel aanlegsteigers voor monsterachtig grote ijzeren boten.
En hij is erbij in 1945 als er in enkele seconden een machtige vuurzee ontstaat boven een dorp dat wordt bewoond door een stam waarvan alle leden amandelogen hebben.

Onze gedachte-experiment-Germaan is een beschouwend tiepje. Hij ziet dat de manier van strijden in steeds kortere perioden sterk verandert, dat de wereld zelf in steeds kortere perioden sterk verandert. Hij zal zich op het achterhoofd krabben en betwijfelen of de veranderde wijze van oorlogvoeren tussen stammen wel zo wenselijk is. Maar hij zal zich ook nog iets heel anders afvragen, namelijk hoe mensen die grote veranderingen in een extreem kort tijdsbestek verwerken.
Eerst verandert de technologie (en daarmee de wereld) niet noemenswaardig in duizend jaar, vervolgens verandert de technologie merkbaar in een eeuw en onze Germaan ziet nu dat de tijdschaal waarop merkbare veranderingen optreden in de buurt te ligt van… tien jaar. Onze Germaan heeft zijn rol gespeeld en verlaat met een suizebollende kop dit verhaaltje.

Kunnen wij eigenlijk wel goed tegen heel snelle veranderingen? Wat zijn de sociale en psychologische gevolgen van zulke extreem snelle technologische innovaties?
Laat ik een enkel, nu al hinderlijk zichtbaar gevolg noemen. Een ex-collega zei me ooit dat de periode waarin wij leven later bekend zal staan als het “Informatieloze Tijdperk”. Hij wees me erop dat hij alle floppy’s die hij volgestouwd had met informatie weg kon gooien, omdat er geen medium meer was waarmee hij ze kon uitlezen; in zijn computer zaten al geen floppy drives meer. Zijn informatie was gewoon weg, foetsie. Als je niet tijdig ingrijpt verlies je dus dingen.
Nieuwe technologie, in felle concurrentiestrijd snel naar de markt gebracht, laat het woord “vergankelijkheid” een nieuwe betekenis krijgen. In naam van economie en snelle vooruitgang krijgen wij als gevolg allen te maken met fundamentele onrust. Binnen enkele jaren moeten we al onze video’s dumpen en vervangen door DVDs. En hoe lang houden die stand? En, o ja, de schaakcomputers uit de jaren tachtig, uitgevoerd in mooi mahoniehout, liggen weg te kwijnen op zolder, want we schaken nu achter de computer met onze Fritzjes.
De veranderingen worden aangejaagd door ons verlangen om in de grote economische bedrijvigheid niet achterop te raken. Innovatie is een heuse wetenschap geworden. Het zal wel zo moeten, maar toch wens ik af en toe wat afstand te nemen. En dan frons ik de wenkbrauwen.

Scroll naar boven