GOED GESLAPEN/ Frits Hoorweg
GOED GESLAPEN/ Frits Hoorweg
Voor het begrip van menigeen kan ik goed schaken, maar alles is betrekkelijk. Ingewijden beschouwen mij waarschijnlijk als niet meer dan een redelijke speler. Tenminste als ze enigszins op leeftijd zijn. Jongeren kennen me natuurlijk niet eens. Met uitzondering dan van de jeugdspeler die ik laatst te grazen heb genomen. Bij die gelegenheid moest ik weer denken aan Fedde van Santen, een lang geleden overleden schaakvriend. Voor een teamwedstrijd stonden we eens samen onze tegenstanders te bekijken, die aan het andere eind van de zaal ons stonden te beloeren..
“Ik hoop dat ik tegen dat jonkie mag,” zei Fedde ineens. “Je ziet hem denken: die ouwe lul pak ik wel. Hij zal niet weten wat hem overkomt, als ik hem naar de strot vlieg met een van mijn ouderwetse gambieten.” Niet schakers staan vaak versteld van de agressieve taal die schakers onderling bezigen. Ze snappen de emoties niet die loskomen bij overigens keurige lieden, omdat ze denken dat schaken een spelletje is.
Er is een tijd geweest waarin ik de illusie had, dat er als schaker een grote toekomst voor me was weggelegd. Vijf en dertig jaar geleden was dat ongeveer. Thuis zat ik uren achter het bord naar de stukken te turen. Bij de Koninklijke Bibliotheek leende ik een boek van Nimzowitch, omdat ik ergens had gelezen dat het aangeprezen werd door Petrosjan. Op dinsdagavonden speelde ik heroïsche partijen bij een club die Moerwijk heette. Moerwijk is de naam van de naoorlogse wijk van Den Haag waar ik van m´n derde tot m´n zeventiende heb gewoond. In die tijd was Moerwijk een van de betere clubs van het land. De geboortegolf zorgde namelijk enige tijd voor een ruime aanvoer van jong talent. Wie daar wilde uitblinken, moest wel z´n best doen.
Als je tot een uur of 12 ´s-nachts met overgave hebt zitten schaken, valt het niet mee om in slaap te geraken. Dat staat, tot op zekere hoogte, los van het resultaat dat je hebt geboekt. Er is vast een biologische verklaring voor. Je hersencellen zijn overactief geworden of er giert teveel adrenaline door je aderen. De inspanning die een schaakpartij vergt is enorm en nergens mee te vergelijken. Voor de toevallige bezoeker van een speelzaal is dat misschien moeilijk te geloven. De meeste spelers lopen, wanneer ze niet aan zet zijn, wat rond en kijken bij de andere partijen. Maar ik kan u verzekeren dat het grootste deel van hun grijze massa steeds bezig blijft met de eigen partij.
Een klasgenoot uit die tijd, die ik nog wel eens ontmoet, mag graag verhalen ophalen over mijn lichamelijke en geestelijke toestand op woensdagochtenden.
“Je zag eruit als de dood van Pierlala. Voor de middag zat je meestal met open ogen te slapen. Een leraar die je iets vroeg werd niet eens opgemerkt. Verhoef heeft je er twee keer uitgestuurd om die reden.”
Hij zal ongetwijfeld gelijk hebben, maar van dat wegsturen kan ik mij niets herinneren. Ook die naam Verhoef zegt me eigenlijk niks meer. Terwijl ik de zaal waar geschaakt werd nog kan uittekenen. Het kost me geen moeite zo tien tegenstanders uit die tijd te noemen. Zelfs enkele partijen die ik speelde staan me nog levendig voor de geest.
De ene keer was in slaap geraken nog moeilijker dan de andere. Want als ik stom verloren had, kon ik bijna helemaal niet slapen. Dan lag, om met J.H. Donner te spreken, mijn wereldbeeld in duigen. Het meesterschap leek voorgoed achter de horizon te verdwijnen. Ik kon er niets van!
Na een aantal van die klappen heb ik een realistischer wereldbeeld aangeschaft. Een topspeler zou ik niet worden; ik zou vrede moeten hebben met spelen voor de aardigheid. Slapen direct na afloop van een zware partij bleef moeilijk, maar halve nachten wakker liggen om een verloren partij was er niet meer bij. In plaats daarvan kwam een veel merkwaardiger verschijnsel: het wakker liggen na een partij die je gewonnen hebt. En niet alleen als die partij ´s-avonds pas laat wordt beeindigd.
Soms speelt zelfs een eenvoudige amateur een echte mooie partij, eentje waarin -bij wijze van spreken-het meesterniveau wordt benaderd. Dat gebeurt mij dus ook een of twee maal in een jaar. En het merkwaardige is nu, dat het mij na zo´n partij erg veel moeite kost om de slaap te vatten. Niet de teleurstelling over wat mislukte, maar de opwinding over wat wel lukte, houdt me nu uit mijn slaap. De verklaring moet, denk ik, wederom in dat wereldbeeld worden gezocht. Op dergelijke momenten vraag ik mij af of ik misschien toch een echte goede speler ben.
“Wordt het niet hoog tijd dat je alle schepen achter je verbrandt en de wijde wereld intrekt met een schaakspel onder de arm?” vraagt mijn andere ik steeds weer.
“Praat toch geen onzin,” zeg ik dan zelf. Deze boeiende conversatie houdt me uren bezig. Tot op heden heb ikzelf voet bij stuk gehouden.
Van de zomer ben ik met vrienden naar Dresden geweest, om mee te doen aan een toernooi. Het was jaren geleden dat ik dat had gedaan en het is mij buitengewoon goed bevallen. Ik heb meer partijen gewonnen dan verloren en er waren enkele partijen bij die lang niet slecht waren. Kort na afloop van die partijen had ik zelfs even het idee dat ze wel niveau hadden. Toch heb ik uitstekend geslapen tijdens het toernooi, terwijl ons pension aan een drukke straat stond, waarover met enige regelmaat een tram voorbij piepte. Daaruit mag blijken hoe goed het is om met vrienden naar zo´n toernooi te gaan.
Bij de avondmaaltijd werden de door het gezelschap gespeelde partijen doorgenomen. Eigenlijk waren dat een soort therapeutische sessies. De verliezers werd een hart onder de riem gestoken.
“Toch wel aardig gespeeld, Manuel, misschien dat het morgen wel lukt,” zeiden wij bij voorbeeld in koor, nadat de betrokkene, met een gezicht waarvan de zelfhaat nog was af te scheppen, zijn partij had laten zien. En het zal u misschien verbazen, maar dat hielp. Langzaam ontspande het verkrampte gezicht van Manuel zich, tot het weer de gebruikelijke, vredige uitdrukking droeg. De meeste energie ging echter zitten in het bespreken van de winstpartijen. Met vereende krachten werd de prestatie van de winnaar tot de grond toe afgekraakt.
“Nou jij mocht vandaag weer niet klagen, kijken hoe het morgen gaat,” was meestal de conclusie. Zo is het gekomen dat steeds voor ik naar bed ging, mijn wereldbeeld weer geheel het oude was.
18-9-´98/sgg
