Groningen 2006

Groningen 2006 door Manuel Nepveu

Het is inmiddels alweer een paar maanden geleden, maar ik wil toch nog even terugblikken op het kersttoernooi te Groningen. Zoals u heel misschien nog weet uit de webverslagen die Ruurd Kunnen verzorgde, was het toernooi in schaaktechnisch opzicht geen eenduidig succes voor mij. Toch wil ik juist op de schaakaspecten terugkomen, omdat die mij wel iets geleerd hebben.

In de eerste ronde word ik altijd naar boven ingedeeld. De reden is simpel. In al die jaren dat ik in Groningen speel, zijn het steeds weer dezelfden die meedoen. Doorgaans mannen van minimaal halverwege hun “twenties”. Dat wil zeggen dat zij geen stormachtige ontwikkeling meer doormaken op schaakgebied en dus liggen de schaakverhoudingen al jaren vast. Ik ben in de hoogste mini-groep typisch geplaatst in het gebied 20-30 en omdat er maximaal veertig spelers meedoen per mini-groep word ik naar boven ingedeeld. Ik kan dus vol aan de bak. Dit jaar mocht ik in de eerste ronde aantreden tegen Marc Schlette, een Duitse speler met een rating in het tweede kwart van de 2100. In principe mag dat niet onoverkomelijk zijn, dwz. hoeft niet per se tot een nul te leiden. Maar een zeker optimisme deed mij de das om. Met wit in een Grünfeld kwam ik behoorlijk te staan. De zwarte dame verscheen op a5 en oefende weliswaar druk uit op c3, tezamen met de koningsloper op g7, maar dat was het dan. Ik had meer ruimte. Op een gegeven moment kreeg ik de mogelijkheid om c3-c4 te spelen en mijn centrum te verstevigen, maar dan zou de pion op a2 verloren gaan. Ik deed de zet in de hoop voldoende compensatie te hebben. Ook de dames verdwenen richting kleedkamer, maar dat viel niet te vermijden. Maar dan blijkt zo’n 2100-speler gehaaid en getruukt genoeg om alle dreigingen het hoofd te bieden. Uiteindelijk bleek hij met zijn paard, dat op a2 terecht was gekomen, telkens voor tegendreigingen te zorgen die ik niet kon negeren. Mijn eigen initiatief zag er leuk uit, maar werd door zwarts tegenacties langzaamaan van zijn kracht ontdaan en uiteindelijk kon ik het verlies van een tweede pion niet vermijden. Dat was het dan. De les is, dat je wel heel goed moet weten wanneer je een pion in de aanbieding doet en dat het misschien toch nodig is om meer te rekenen en iets minder te vertrouwen op een algemeen stellingsoordeel, iets waartoe ik geneigd ben.

In de tweede ronde moest ik tegen Marcel Wubben. In 2002 had ik hem een “min-remise” toegestaan, in 2005 was ik eenduidig verslagen en nu zat ik dus weer tegenover hem. We volgden een partij tussen de heren K en K, merk damegambiet. Ik had zwart en speelde frank en vrij op inzicht (?!). Natuurlijk heb ik de talloze partijen tussen Karpov en Kasparov indertijd nagespeeld, maar het damegambiet hoort niet tot mijn zwart-repertoire en ik weet er dus weinig van. Het ging zeker achttien zetten goed. Toen kwam Wubben met een gemene. Ik ratste een pion, maar werd enkele zetten later getrakteerd op een paardzet die f7 aanviel en ook mijn dame op d7. Dat mijn dame aangevallen stond zag ik, maar ik onderkende nu pas dat ook punt f7 zowel door het paard als een lopertje aangevallen stond. Die tweede dreiging begon al mijn aandacht op te souperen. Uiteindelijk vond ik een goede remedie tegen die dreiging, voerde de zet uit en …mijn tegenstander sloeg damelief eraf. In vele jaren is mij dit niet overkomen. Wat hier gebeurde is helder. Ik werd verrast, zag de hoofddreiging, maar werd afgeleid door die tweede dreiging die ik niet voorzien had. Ik kon er om lachen.

In ronde drie was ik degene die de les uitdeelde; later kom ik daar nog weleens op terug.

In ronde vier was het Haagse Happel tegen wie ik nu al voor de vierde keer moest aantreden sinds ik in Groningen meedoe. Weer damegambiet met zwart. Happel is getruukt en ik overleefde al zijn listen en lagen. Tot ik op de laatste zet van de partij een waanzinnige kortsluiting kreeg: ik gaf in een zet een pion weg en het remise-eindspel was nu verloren. Ik bespaarde Happel de vreugde van de winstgang, want die zag ik in vijf seconden levendig voor me.

In de laatste ronde speelde ik met zwart een wilde pot waarbij ik een raar soort Fransoos op het bord kreeg. Mijn tegenstander speelde het spelletje erg wild en ik ging met hem mee op avontuur. Virtueel had ik op een gegeven moment een toren meer tegenover een sterke aanval van mijn tegenstander, maar toen ik de kans had om de stelling definitief naar me toe te trekken zag ik de volstrekt voor de hand liggende zet om dat te versieren niet, terwijl ik er toch behoorlijk wat tijd in stopte. Ik ging in plaats daarvan over naar een toreneindspel met een kreupele pion meer en dat eindspel won ik niet. Terecht niet, overigens.

De partijen uit de eerste en tweede ronde hebben mij het meest geleerd, al moet ik zeggen dat ik de lessen vroeger ook ooit had gehad. Een opfriscursus dus. Nu kan ik me alleen maar voornemen om de Wubbens en Happels van deze wereld toch eens van het bord te stampen, want ik ben niet geïnteresseerd in het verzamelen van eierenrekjes…

 

 

Scroll naar boven