U weet het misschien nog wel. Hans Meijer speelde een paar jaar geleden als invaller mee in het tweede team van Promotie, dat toen in de KNSB-competitie uitkwam. Na enige weken kreeg Promotie te horen dat de uitslag van zijn partij was omgezet in een reglementaire nul. De reden was dat hij gezien zijn sterkte in het eerste team hoorde. Daar zat hij niet in. Jammer, maar hij mocht dan niet als invaller in het tweede spelen. De speelsterkte van zijn feitelijke tegenstander deed niet terzake. Het was bizar. Maar… regels zijn regels, de letter is de letter. Ook de commissie van beroep, zonder twijfel gedomineerd door juristen, dacht er zo over. Nu is het goed mogelijk dat nergens is vastgelegd wat de achtergrond van de gehanteerde regel precies is. Anders had men misschien kunnen toetsen of toepassing daarvan in het onderhavige geval aangewezen was. Ik heb uit gesprekken met juristen over de jaren heen wat dingen geleerd over hun leefwereld. Bijvoorbeeld dat de habitat van juristen zeer “talig” is. Het ontzag voor het geschreven woord is er enorm. Je hebt niet het IQ van Albert Einstein nodig om te kunnen vermoeden wat daar achter zit. Een vraagje dringt zich wel op. Heeft men in die wereld ook oog voor de intentie van het geschreven woord? Of is die in wezen irrelevant?
Hans en zijn aanvaring met het KNSB-reglement. Geërgerd schouderophalen en snel vergeten is hier een passende reactie, want… het kan allemaal orden van grootte erger.
Je werkt als verpleegster in een ziekenhuis en iemand oppert dat er wel erg veel doden vallen net als jij dienst hebt. In Nederland kun je dan in de cel belanden, ook zonder een getuige, bewijs of bekentenis van een moord. De desbetreffende zaak is zo vaak in de media geweest, dat u ongetwijfeld weet waarover ik het heb. Het is inmiddels een heuse affaire geworden met veel publieke aandacht. In de NRC van 14 december j.l. stond een petitie, ondertekend door ongeveer duizend personen – waaronder ikzelf – dat de zaak Lucia de B. zo spoedig mogelijk moet worden heropend.
Wat mij aan de zaak vooral opviel was het gehannes met de statistiek. Een door de rechtbank gevraagde “expert” viel compleet door de mand en de discussie die oplaaide tussen statistici zal menige rechter gesterkt hebben in zijn opvatting dat statistiek vooral maar buiten de rechtszaal moet worden gehouden. Nu is er recent een boek uitgekomen waarin het gebruik van statistiek en kansrekening in het strafrecht aan de orde wordt gesteld. De hoofdstukken die zijn geschreven door juristen kenmerken zich door flinke terughoudendheid aangaande de wenselijkheid van statistiek in de rechtszaal. Welnu, na lezing denk ik dat die terughoudendheid berust op onbekendheid met de materie. Of zijn juristen bang op hun feilbaarheid gewezen te worden door het gebruik van formele hulpmiddelen? Mijn zegslieden zijn opvallend eensgezind: juristen zijn in meerderheid “ongecijferd”. Dat helpt dus ook niet echt.
Verder denkend komen we als vanzelf bij een fundamenteel probleem in de rechtspraak. Laten we aannemen dat rechters in meerderheid behoorlijke juristen zijn. Om rechter A.H. van Delden in de NRC van 15 december jl. te citeren: “Er zitten weinig domme mensen bij ons. En weinig briljante.” Maar dat neemt niet weg, dat een strafrechter voor een wezenlijk deel van zijn taak niet inhoudelijk geëquipeerd is: Waarheidsvinding. Wat!? Doet een rechter aan waarheidsvinding? Jazeker wel, zij het indirect. Want hij bepaalt wat hij accepteert bij de bepaling van schuld of onschuld. Hij bepaalt of een deskundige hem heeft overtuigd of niet. En daar zit het probleem: rechters zijn geen wetenschappers. Als rechters getuigen-deskundigen horen, beseffen ze vast niet welke vragen ze zouden moeten, moeten willen, of kunnen stellen. Wie niet weet wat een landkaart is, zal niet bij het VVV om een stadsplattegrond vragen…
In het geval Lucia de B. is aannemelijk dat de betrokken rechters de “expert” Elffers niet naar behoren hebben doorgezaagd; ze misten bijna zeker de noodzakelijke bagage. Hier is de kwaliteit van de waarheidsvinding belabberd geweest, van de kant van de “expert” en van de kant van de rechters. Een voorlichter (?) heeft ooit op de kijkbuis beweerd dat het omstreden statistische bewijs bij de schuldvraag buiten beschouwing is gelaten. Helaas voor hem, die opmerking maakt het alleen maar erger. Want bij gebrek aan getuigen, bewijs en een bekentenis rijst de vraag hoe de Haagse verpleegster dán verscheidene moorden in de schoenen geschoven kon krijgen. Middels de o zo betrouwbare “innerlijke overtuiging” van een paar juristen?
Hoe betrouwbare waarheidsvinding binnen de rechtspraak tot stand gebracht zou kunnen worden, is een prikkelende opgave. Het is duidelijk dat dit niet integraal een zaak kan zijn van goedwillende amateurs met een meester-titel. Maar het zal nog lang bij het oude blijven, want de beroepsgroep is gewend kritiek niet serieus te (hoeven) nemen. Het zal ook in de toekomst nog wel vaker zichtbaar fout gaan. Zichtbaar tenminste voor allen die wél een “harde” opleiding hebben genoten. Ooit zal hopelijk het besef groeien dat er hier een wezenlijk probleem bestaat – en ook altijd heeft bestaan. En dit besef moet niet in de laatste plaats gaan groeien bij de in toga gehulde amateurs zelf.
