Het gespleten schaakbord


Het gespleten schaakbord

Hans

Meijer

 

 

 

In mijn mailbox trof ik een mailtje van Bernard Bannink aan met onderstaande stelling. Het was een opdracht die IGM John van der Wiel aan enkele leden van Promotie voorgelegd had en Bernard vroeg mij om mijn taxatie. Ongelijke lopers, gelijke pionnen, remise dacht ik, want meestal heeft een speler twee pionnen extra nodig om te winnen. Ik had er goed aan gedaan wat verder te kijken dan mijn neus lang is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Gonzalez Mata – Sisniega (Mexico, 1991)

 

1…b3 (Dreigt 2…a3!) 2 Lc1 Kd5 3 Ke3 Kc4 4.g5 Lf5 5.Ke2 Kd4

De eerste variant: 6.Le3+ Kd5 7.Lc1 Ke4 8.Kd2 Kd4 9.Ke2 Lg4+ 10.Kd2 Lh5 0-1

De tweede variant: 6. Kd2 Le6 7.g6 Lg8 8.Ke2 Lc4+ 9.Kd2 La6 g7 10.Lc4 0-1

 

Max Euwe gaf in Hogeschool van het Eindspel (1964) ook een eindspel met een gelijk aantal pionnen en twee lopers die het schaakbord in een wit en zwart deel splijten, A. Fuderer – W. Unzicker (Göteborg, 1955), en liet zien dat wit eenvoudig wint. Zowel Euwe als van der Wiel leiden ons met hun voorbeelden subtiel om de tuin en stellen zo onze vooroordelen over dit type eindspelen aan de kaak. In Learn from the Legends (2004) besteedt Mihail Marin een hoofdstuk aan de verfijnde wijze waarop Anatoly Karpov eindspelen met lopers van ongelijke kleur behandelde en hij geeft en passant enkele nuttige adviezen. In de volgende stelling heeft Karpov tegen (inderdaad) John van der Wiel slechts één pion meer en je zou denken dat John dit eindspel remise moet kunnen houden maar dan begint Karpov de duimschroeven langzaam aan te draaien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


A. Karpov – J. van der Wiel

(Euwe Memorial, Amsterdam 1988)

24.b4! Le5 25.Te4 Lf6 26.Tc1 Td4 27.Txd4 Lxd4 28.Tc4 Le5 29.Te4 Ld6 30.b5 Lc5 31.a4 Td8 32.a5 Td1+ 33.Kg2 Ta1 34.Tc4 Ld6 35.a6 Kg7 (Marin: 35…Lc7!? 36.Le8 Lb6 37.Tf4 f6) 36.g4 (Marin: 36.Le8!?) 36…h6 (Marin: 36…Lc7!) 37.Le8 Ta3 38.h4 Kf8 39.Tc8 Kg7 40.e3 Tb3 41.Kf3 f5 42.g5! Tb2 43.Kg2 hxg5 44.hxg5 Ta2 45.Kf1 Tb2 46.Kg1 (Marin: 46.f4) Ta2 47.Kg2 Tb2 48.Kf1 Ta2?! (Marin: 48…Kh7) 49.Tc6 Kh7 50.Ke1 Lb4+ (Marin: 50…Kg7) 51.Kd1 Txf2 52.b6! axb6 53.a7 Td2+ 54.Kc1 Ta2 55.Tc4 Ld2+ 56.Kd1 b5 57.Tc2 Txa7 58.Kxd2 b4 59.Tc6 Ta2+ 60.Kd3 Ta3+ 61.Ke2 b3 62.Lxg6+ 1-0

 

Na de eerste ronde van het Open van Andorra 2002 leerde ik drievoudig kampioen van Roemenië IGM Mihail Marin wat beter kennen toen hij na afloop van zijn partij tegen Henk Noordhoek samen met ons deze partij nog eens doorliep. Dat was een bijzondere ervaring. Zelden heb ik namelijk een grootmeester gezien die met zoveel plezier in elke stelling op zoek ging naar de vaak onverwachte waarheid. Een interview met Marin is op alinalami.com, de website van Alina l’Ami te vinden, d.d. 06-02-11.

 

In de praktijk is het vaak lastig om dit type eindspel met een pion minder remise te houden. Ook Vishy Anand lukte het tijdens de achtste partij van zijn match om het wereldkampioenschap tegen Veselin Topalov niet. In New in Chess 2010/4 liet Jan Timman zien dat beide spelers dit eindspel niet optimaal behandelden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


V. Topalov – V. Anand (Sofia, 2010)

34…Kd7? (Timman: 34…Lc2! 35.Ke3 Kd7)  35.Ke3? (Timman: 35.Kd2! om via c3 en d4 met tempowinst naar e5 op te rukken.) Lc2! 36.Kd4 Ke8 37.Ke5 Kf7 38.Le3 La4 39.Kf4 Lb5 40.Lc5 Kf6 41.Ld4+ Kf7 42.Kg5 Lc6 43.Kh6 Kg8 44.h5 Le8 45.Kg5 Kf7 46.Kh6 Kg8 47.Lc5 gxh5 48.Kg5 Kg7 49.Ld4+ Kf7 50.Le5 h4 51.Kxh4 Kg6 52.Kg4 Lb5 53.Kf4 Kf7 54.Kg5 Lc6??

(Timman: Vele loper zetten voldoen zolang zwart maar niet uit het oog verliest dat 55.Kh6 gevolgd kan worden door 55…Ld3.) 55.Kh6 Kg8 56.g4 1-0 (Timman: 56…Lb5 57.g5 Lc6 58.Lg7! Lc8 59.f4 Lc6 60.g6.).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


R. Luna – J.W. Meijer, Nacional Equipos (Samaipata-Cochabamba), Sucre, 30-11-09.

 

Rolando Luna, zie De Promoot 58-3, gaf in deze stelling op. Hij had beter nog even door kunnen spelen want je weet met ongelijke lopers immers maar nooit. Ik vroeg De Promoot lezers hoe zij de stelling taxeerden. Volgens Bernard Bannink staat zwart gewonnen en volgens mij heeft hij gelijk. Enkele varianten: 40.a4 Lxb2 41.axb5 axb5 (Zwart heeft twee pionnen extra. De vraag is of het genoeg is voor de winst?) 42.h5 (Of 42.Kf1 f5 43.Ld5 h5 44.Ke2 Ld4 45.f4 Kg7 46.Lc6 b4 47.Ld5 c3 48.Lb3 Lf6 49.g3 Ld4 50.Kf3 Kf6 51.Ke2 Ke7 52.Kf3 Kd6 53.Ke2 Lg1 54.Kf1 Lh2 55.Kg2 Kc5 0-1.) 42…Kg7 43.Kf1 (Of 44.hxg6 fxg6 45.f4 Kf6 46.g4 Ke6 47.Kf2 b4 48.Ke2 b3 49.Kd1 c3 0-1.) 43…Kf6 44.Ld5 Ld4 45. hxg6 fxg6 46.Ke2 Ke5 47.Lg8 h6 48.Lf7 g5 49.Le8 b4 50.Lf7 c3 51.f3 (Of 51.g4 Lxf2 52.Kd3 Kf4 53.Lh5 Ld4 54.Kc2 Ke3 55.Lf7 Lg7 56.Lh5 b3 57.Kxb3 Kd2 58.Lg6 h5 59.gxh5 g4 0-1.) 51…h5 52.Kd3 h4 53.Kc2 Kf4 (Opgave: Hoe wint zwart?)

54.Le6 Kg3 55.Lh3 Lf6 56.Kb3 g4 57.fxg4 (Na 57.Lxg4 Kxg2 moet wit zijn loper voor de h-pion geven.) 57…Lg5 58.Kc2 Kf2 0-1

 

Tot slot een stelling uit André Cherón’s Lehr– und Handbuch der Endspiele, Band Zwei, (1964, p.390). Opgave: Hoe wint wit?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


A. Kazantsev (1950)

 

1.Lh8! Op andere loperzetten volgt 1..Lxd3 met remise. 1…Kb7 2.Kb2 Lxd3 3.Kc3 Lf5 4.Kd4 Kc6 5.Ke5 Kd7 6.Kf6 Ke8 7.Kg7 e5 8.h6 e4 9.h7 e3 10.Kh6 e2 11.Lc3 1-0.

 

Scroll naar boven