In de Middeleeuwse Europese literatuur en in het Middeleeuwse leven in zijn algemeenheid zijn er momenten aan te wijzen waarbij het schaakspel op enigerlei wijze in verband staat met de dood. In een aantal gevallen heeft dat te maken met slecht “verliezerschap”, in een aantal gevallen met een bizarre weddenschap. Deze twee gevallen zijn trouwens misschien niet goed van elkaar te scheiden, want in de Middeleeuwen werd er vaak om geld, goederen of “een te verlenen recht” gespeeld. Verlies van de partij betekende niet alleen gezichtsverlies, maar ook een verlies van meer tastbare aard. Laten we de inmiddels bij U bekende Murray maar even aan het woord: “…passions often ran high during a game, and the jibes which accompanied the play made defeat more bitter. From taunts it was not a far cry to actual blows, and the chessboard and pieces were often made to serve duty as weapons of attack or defence. The quarrel might even end in the death of one of the players.” Murray zou Murray niet zijn als hij geen bronnen had ontdekt van heuse rechtszaken die zijn bewering konden onderstrepen.
In de literatuur zijn er verscheidene recht smakelijke (huh?) gevallen aan te wijzen. Een fraai voorbeeld komt uit de Middeleeuwse roman “Renaud de Montaubon”, daterend van de dertiende eeuw. Renaud houdt Richard, hertog van Normandië, gevangen en stuurt op een gegeven dag zijn mannen om hem te laten ophangen. De soldaten vinden Richard in een partij schaak verwikkeld met Renauds zoon Yvonet. Hij reageert niet inschikkelijk op hun beleefde verzoek om even mee te komen teneinde zich te laten hangen. Wanneer de soldaten handtastelijk worden doodt hij er een met een ivoren dame, waarmee hij juist een zet wilde doen. Een tweede soldaat wordt gedood met een toren, een derde met een loper en de overige soldaten maken zich daarna uit de voeten. Richard nodigt vervolgens Yvonet uit verder te gaan met de partij. Kijk, dat is nou de ware schaker!
In moderne tijden lijken de schakers hun temperament goed onder controle te hebben, zeker als we zien wat er zo af en toe op de voetbalvelden gebeurt. In een korte toespraak die ik bij het vijftigjarig bestaan van de club mocht houden heb ik aangegeven oprecht verbaasd te zijn over het correcte gedrag van schakers die zojuist een partij verloren hebben. Zij gooien de stukken niet door de zaal, gaan ook niet op de tafels staan urineren en slaan hun gehate, maar in opperste staat van gelukzaligheid verkerende, opponent niet op zijn facie. We leven duidelijk niet meer in de Middeleeuwen.
De enige connectie die thans nog bestaat tussen het schaakspel en de dood is, zoals ik het zie, een toevallige. Er zijn verscheidene voorbeelden van de connectie die ik bedoel.
Bij het kampioenschap van Nederland, 1933, stierf de al wat oudere schaker Olland achter het bord en tientallen jaren later overleed ook de bekende Utrechtse schaker Mr. Ed Spanjaard in het harnas. Als lid van BSG, tenslotte, heb ik meegemaakt dat op nog geen drie meter afstand van mij een oudere schaker letterlijk weggleed uit het leven. Zijn tegenstander trok asgrauw weg en riep om een dokter. De vrouw van een van de leden was schielijk ter plaatse, evenals een ambulance. Alles ging snel en geruisloos en de reactie van de overige schakers was beheerst, misschien wel iets te beheerst. Mijn tegenstander bood drie zetten later remise aan. Ik accepteerde eerst nadat ik had gezien dat ik niet gewonnen stond. Dat komt me nu wat ongepast voor, maar de schaker in actie leeft blijkbaar tijdelijk op een andere planeet, “jenseits von Gut und Böse.”
