Het Stellinggevoel [15]

In mei begint in Moskou de match om het wereldkampioenschap tussen Anand en Gelfand. Dat Gelfand uitdager is geworden is een verrassing. Hij is een oudgediende en staat niet meer in de toptien van de internationale ratinglijst. Heeft het kwalificatiesysteem gefaald, of hebben we te maken met een van de aantrekkelijke kanten van sport, namelijk dat van te voren niet vast staat wie er wint?

Een aantal toptien-spelers, zoals Aronian, Kramnik, Topalov en Radjabov, hebben in het kandidatentoernooi een sportieve nederlaag geleden. Carlsen, de aanvoerder van de ratinglijst, heeft zich teruggetrokken uit onvrede met de opzet van de WK-cyclus.

Een van de bezwaren van Carlsen was dat het kandidatentoernooi in de vorm van matches werd gespeeld, terwijl hij de voorkeur gaf aan een round robin toernooi, dat wil zeggen een toernooi waarin alle deelnemers een of meer keren tegen elkaar spelen. Het kan verkeren. De kandidatenmatches zijn ingevoerd op aandringen van Fischer na zijn slechte ervaringen met het kandidatentoernooi van 1962 op Curaçao. De spelers uit de Sovjet-Unie speelden tegen elkaar snelle remises, maar gingen tegen Fischer voluit. Fischers toernooi was daardoor veel zwaarder dan het voor de Sovjet-schakers was. Petrosjan werd winnaar en stootte vervolgens Botwinnik van de troon; Fischer werd vierde.

De kandidatenmatches van september in Kazan hebben aangetoond dat het huidige systeem niet voldoet. De opzet was dat er per match vier reguliere, klassieke partijen werden gespeeld en als deze niet tot een beslissing leidden, er een tiebreak van twee rapidpartijen zou volgen. Leverde deze ook geen winnaar op, dan zouden snelschaakpartijen en eventueel een sudden death-partij de beslissing moeten brengen. Dit format heeft ertoe geleid dat de spelers in de klassieke partijen weinig risico namen en het liever aan lieten komen op de tiebreaks, vooral als zij dachten dat zij daarin beter waren dan hun tegenstander. In totaal zijn er 30 klassieke partijen gespeeld, waarvan 27 in remise zijn geëindigd. Van de 7 matches zijn er 3 in de klassieke partijen beslist. Grischuk drong tot de finale door zonder een reguliere partij te winnen. Hij liet het bewust aankomen op de rapid- en blitzpartijen. Dat kunt je hem niet kwalijk nemen; hij heeft optimaal gebruik gemaakt van de mogelijkheden die het systeem hem bood. In aanmerking nemende dat de kandidatenmatches het voorportaal waren van een klassiek wereldkampioenschap, was het gewicht van de rapid- en blitzpartijen veel te groot. Kramnik, die in de halve finale werd uitgeschakeld door Grischuk, had meer rapid- en blitzpartijen dan klassieke partijen gespeeld. Maar je zou verwachten dat Gelfand het vanwege zijn leeftijd vooral van de klassieke partijen moest hebben. Hij heeft geen voordeel gehad van het format.

Kramnik zei na afloop dat het vergroten van het aantal klassieke partijen tot 6 of 8 een acceptabele oplossing zijn. Hij verwacht dan minder risicomijdend spel. Een blik in de geschiedenis leert dat we hier te maken hebben met een gecompliceerde en beladen zaak.

De kandidatenmatches zijn door de FIDE in 1964 ingesteld. Aanvankelijk verliepen zij zonder problemen. In 1971 baarde Fischer opzien door zijn matches tegen Taimanov en Larsen met 6­­-0 te winnen. Dat waren matches van 10 partijen. De verklaring voor deze verpletterende uitslagen was dat de matches te kort waren – doordat Fischer direct de eerste partij won, moesten zijn tegenstanders al vroeg grote risico’s nemen en verloren daardoor ook de volgende partijen. Hoewel deze verklaring anno 2011 overdreven lijkt, was hij destijds reden om de regels te veranderen. Na 1971 werd er in de kandidatenmatches niet meer om een vast aantal partijen gespeeld, maar om een bepaald aantal winstpartijen: wie in de kwartfinales het eerst 3 partijen won, was matchwinnaar; in de halve finales ging het om 4 winstpartijen en in de finale om 5. Remises telden niet mee. In 1972 werd het aantal partijen gemaximeerd op 16 partijen in de kwartfinales, 20 in de halve finales en 24 in de finale. Het maximum werd in de loop der jaren weer verminderd. In 2010 ging de finale over 8 partijen. Topalov won toen met 4½-2½ van Kamsky.

De discussie over de kandidatenmatches had ook invloed op de WK-matches. Na de Tweede Wereldoorlog gingen deze matches steeds over 24 partijen. Dat duurde tot en met Spassky-Fischer in 1972, maar over de WK-match van 1975 ontstond grote onenigheid. Fischer eiste dat degene die het eerst 10 partijen had gewonnen winnaar zou zijn, dat er geen limiet aan het aantal te spelen partijen zou zijn en dat de zittende kampioen zijn titel zou houden bij de stand 9-9. Dat zou betekenen dat de uitdager met 10-8 moest winnen om wereldkampioen te worden, hetgeen men een te groot voordeel voor de titelverdediger vond. Het FIDE-congres besloot daarop de match te laten gaan om 10 gewonnen partijen met een maximum aantal van 36. Nadat Fischer had laten weten dat deze voorwaarden voor hem onaanvaardbaar waren, liet de FIDE de limiet aan het aantal partijen vervallen, maar wees de 9-9 bepaling van de hand. Fischer weigerde onder die voorwaarden te spelen en verloor de wereldtitel.

Het nadeel van een ongelimiteerd aantal partijen bleek in 1984 bij de eerste match tussen Karpov en Kasparov. Degene die het eerst zes partijen zou winnen, zou wereldkampioen zijn. Karpov stond op een bepaald moment met 5-0 voor, maar kon niet meer winnen. Na 48 partijen en vijf maanden schaken werd de match bij een stand van 5-3 afgebroken. Sindsdien is het aantal partijen weer aan een maximum gebonden.

De geschiedenis heeft geleerd dat een perfect systeem niet bestaat. Met de tijd veranderen opvattingen en inzichten. Politiek geïnspireerde combines zoals in 1962 zijn na de Koude Oorlog onwaarschijnlijk geworden en daardoor is de toernooivorm weer bespreekbaar. Dat wil niet zeggen dat corruptie niet zal voorkomen. Een voordeel van kandidatenmatches is dat het een knock-outsysteem is. Wie kansloos is, valt onherroepelijk af. Dat is in toernooien niet zo. Omdat iedereen tegen iedereen moet spelen, moeten kansloze spelers blijven meedoen. Dat is voor hen niet prettig. Zij dienen als kanonnenvoer en weten al ver voor het einde dat zij slechts een bescheiden geldprijs zullen winnen. Eigenlijk spelen ze de laatste ronden voor niets. De verleiding kan ontstaan om dan maar een paar partijen te verkopen aan kanshebbers voor de overwinning. Kramnik erkent dit risico, maar hij acht de kans dat het gebeurt klein.

In deze discussie spelen niet alleen sportieve argumenten een rol. Het is ook belangrijk een format te vinden dat aantrekkelijk is voor sponsors. In de hoop dat korte en spectaculaire wedstrijden veel publiek en daardoor sponsors trekken ging de FIDE in 1997 het wereldkampioenschap in de vorm van knock-outtoernooien organiseren. Ook werd de denktijd van de spelers gereduceerd. De wereldkampioenen die dit opleverde waren echter niet altijd grootmeesters van het eerste garnituur en dat was de reden dat de “klassieke” WK-titel van Kasparov en later Kramnik door de schaakwereld hoger werd aangeslagen dan de FIDE-titel.

Mede door de ervaringen in Kazan, en misschien ook als tegemoetkoming aan Carlsen, heeft de FIDE besloten in de komende WK-cyclus een dubbelrondig round robin kandidatentoernooi met acht deelnemers te organiseren. Tot dit kandidatentoernooi worden toegelaten: 3 spelers die zich hebben gekwalificeerd in het FIDE-World Cup toernooi van september j.l. (dat zijn Svidler, Grischuk en Invanchuk geworden), 3 spelers met de gemiddeld hoogste rating in juli 2011 en januari 2012 (en die niet op een andere manier zijn gekwalificeerd), de verliezer van de WK-match tussen Anand en Gelfand en een speler die door de organisatie mag worden aangewezen. De winnaar speelt in 2013 een match om het wereldkampioenschap tegen de zittende kampioen.

De opvattingen van Carlsen gaan nog verder. Volgens hem moet om het wereldkampioenschap  worden gespeeld in een toernooi tussen de sterkste spelers, waarvan de zittende kampioen er een is. Hij wil dus een eind maken aan de WK-matches tussen de wereldkampioen en een uitdager. Het privilege van de wereldkampioen om rustig te kunnen toezien hoe de kandidaten zich uitsloven om hem tot een match te mogen uitdagen, moet volgens Carlsen vervallen.

Dit is een revolutionair plan. Sinds 1886 wordt het wereldkampioenschap in matches beslist. Slechts drie keer is een WK-toernooi gehouden, steeds in een bijzondere situatie. De eerste keer was in 1948 in Den Haag en Moskou. Er waren meerdere kandidaten maar de wereldkampioen, Aljechin, was in 1945 overleden, zodat een match onmogelijk was. Botwinnik werd winnaar en dus de eerste na-oorlogse wereldkampioen. De twee andere WK-toernooien vonden plaats in de periode van het schisma van 1993 toen Kasparov en Short uit de FIDE stapten. In 2005 organiseerde de FIDE een WK-toernooi, dat in grootse stijl werd gewonnen door Topalov. Dat toernooi was de eerste stap in de richting van een hereniging (“unificatie”) van de schaakwereld. Het derde WK-toernooi vond plaats in 2007 en werd een overwinning voor Anand. Dat toernooi bezegelde de unificatie. 

Om vast te stellen wie de sterkste schaker is heb je geen WK meer nodig. De ratinglijsten zijn betrouwbaarder. Toch is aan de wereldtitel veel prestige verbonden en daarom zal het wereldkampioenschap blijven bestaan. Ik verwacht dat het format van de WK-cyclus over een aantal jaren heel simpel is: een dubbelrondig klassiek toernooi van 6 à 8 spelers met de hoogste rating en een duur van 2 à 3 weken. Dat is het idee van Carlsen. Apart worden WK’s rapid en blitz gehouden. Deze toernooien worden intensief gecoverd door de nieuwe media. Uitgebreide internetuitzendingen met veel beelden die de emoties van de spelers laten zien, deskundig commentaar voor kijkers met uiteenlopende speelsterkte, interviews, statistieken, achtergrondinfo, enz. maken het voor veel mensen interessant te kijken. In september in Kazan is wat dat betreft grote vooruitgang geboekt. Hierdoor zijn de kampioenschappen ook voor sponsors interessant. Het is niet het schaken dat het grote publiek kan aantrekken, maar het mediaspektakel dat van schaken kan worden gemaakt.

Scroll naar boven