SCHAKEN IN BOLIVIA
Het weekendtoernooi van DD door Ruurd Kunnen
De heer Hogers speelde in de vijftiger jaren in het eerste van DD, Discendo Discimus. Donner aan bord 1, Hogers aan bord 7. Ik heb hem ontmoet in de Bibliotheca Van der Linde-Niemeijeriana, de schaakafdeling van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, waar ik veel heb gewerkt aan mijn boek over de sportificatie van het schaken. Zaterdag 22 september kwam ik hem tegen op het internationale weekendtoernooi van DD. "Schaakt U ook?", vroeg hij, zonder veel gevoel voor understatement en ik wees hem het bord waarop ik een Russische verdediging aan het bestrijden was. Hij mopperde wat over het gebrek aan deelname van DD-coryfeeën aan hun eigen toernooi. "Waar zijn Kort en Reimers?". "En clubkampioen Hoorweg", dacht ik er stilletjes bij. De heer Hogers keek mij schuins aan. "Loopt uw boek een beetje?". Ik begreep wat hij bedoelde. Als je het gros van de deelnemers aan het toernooi zag, zou je de stelling dat schaken een sport is, terstond als onzinnig terzijde schuiven. Dat er onder de schakers zwaarlijvigen en dikbuikigen zijn, mag bekend worden verondersteld. Daarnaast zijn er ook die niet recht op hun voeten staan, maar naast de zolen van hun gympen voortsjokken, en die zich gebogen of met kromme benen door de toernooizaal begeven. Als ze niet stilletjes zijn, voeren ze het hoogste woord, met schelle stem dan wel bulderend. Grootmeester Epishin, ooit de secondant van Karpov tijdens zijn matches met Kasparov, liep rond met zijn broek afgezakt tot halverwege de billen. Het aantal morsige types onder de toernooideelnemers kan moeilijk worden overschat. Niet alleen is op hun vale t-shirts en verschoten overhemden goed te zien of ze net chinees of italiaans hebben gegeten, en of ze bij hun vette hap wijn of bier (meestal bier) hebben gedronken, je kunt het ruiken ook. Het IOC-opperhoofd Jacques Rogge moet dit eens hebben meegemaakt, want zo is zijn besluit om het schaken niet tot de Spelen toe te laten eenvoudig te verklaren. Maar wij Promotiespelers, brave burgermannetjes, wij voelen ons lekker in dit gezelschap. Dit is onze wereld.
Het toernooi begon zaterdagavond. Ben Ahlers en Igor Coene deden ook mee. Zij wonnen hun partij. Ik, rating 1770, speelde tegen Fred Slingerland, rating 2189. In lichte tijdnood stond ik torenruil toe in een remiseachtig eindspel met een pionnetje minder, dat als pionneneindspel gemakkelijk gewonnen was voor mijn tegenstander. Niets dan lof voor deze kalende jongeman, die fanatiek werd begeleid door zijn ouders. Hij was de enige die de latere toernooiwinnaar Friso Nijboer een remise wist af te dwingen.
Op de zaterdag won ik mijn tweede partij, Igor had een bye genomen (moest vrijdagavond natuurlijk feesten) en Ben verloor. In de derde ronde speelde ik tegen iemand (rating 1900) met een Russische of Poolse naam. Hij sprak ook Russisch of Pools, ik begreep tenminste niets van wat hij tijdens de partij in zichzelf zat te prevelen. Van tijd tot tijd verdween zijn rechterhand in zijn broek om tussen de benen enig ongenoegen weg te werken (of genoegen tot stand te brengen?), wat mijn vermoeden bevestigde dat ik wel goed stond. Toch remise. Zaterdagavond een bye (burgermannetje wilde zijn vrouw gezelschap houden).
Zondagochtend half tien de zesde ronde en het leek wel lente. Iedereen had schone kleren aangetrokken en velen hadden gedouched. Vol nieuwe energie werd de strijd voortgezet. Zelf had ik onrustig geslapen, had moeite met de concentratie en verzeilde tot overmaat van ramp tegen een bejaarde tegenstander uit Twente (1800) in een variantje van het Gesloten Siciliaans dat ik niet kende. De stelling stond slecht tot verloren, maar ik vocht als een leeuw. En met succes, want de grijsaard besloot tot een waanzinnig torenoffer met als resultaat dat hij drie pionnen tegen een stuk overhield. Zijn aanval ging nog een beetje door en hij wist toren en dame schijnbaar vernietigend op de zevende rij te posteren. Dat had ik voorzien en met een grappig schijnoffertje won ik een pionnetje terug, en vanwege een matdreiging op de onderste rij moest hij genoegen nemen met remise door herhaling van zetten. Nu was het geval dat ik een paar keer bij Friso Nijboer was wezen kijken en onder de indruk was gekomen van de rust waarmee hij in min of meer gelijke stellingen doorspeelde. Wie wat wil bereiken in het schaken, moet proberen te winnen. Mijn tegenstander was rijp voor de slacht en ik besloot de herhaling van zetten uit de weg te gaan. Helaas kostte dat in één zet een volle toren en de partij, een van mijn karakteristieke blunders. Ik was kapot. De laatste ronde had beter niet gespeeld kunnen worden. Als beloning voor mijn flater mocht ik tegen een jongmens met een rating van 2034. Ik dacht er verstandig aan te doen de Svesnikov te vermijden, maar kwam daardoor in de Kaleshnikov terecht. Niet geheel onbekend, maar nooit bestudeerd. Mijn tegenstander was specialist in deze opening. Na de 30 zetten die hij nodig had om mij te kraken, deelde hij mee dat dit een "hele karakteristieke Kaleshnikov" was geweest, met andere woorden: ik had zo ongeveer alles fout gedaan wat je fout kunt doen en hij alles goed.
Na de vijfde ronde stond Ben op 3 en Igor zelfs op 3½. Ben won in de slotronde van Altmeister Perez Garcia en Igor speelde remise. Hun resultaten waren bevredigend, maar geen beide had een partij gespeeld die ze publicatie waard vonden.
Aan het eind van de dag was het als zaterdagmiddag. Iedereen zag er weer even shabby uit. De zaal stonk naar zweet en scheet. Het jubilerende DD gaf iedere deelnemer een fles wijn cadeau (hulde, hulde). Het was mooi geweest. Volgend jaar weer. Dit is onze wereld.
