Ik weet ze allebei nog precies

In 1979 ben ik begonnen met schaakles te geven op de club. Dat ging in die tijd met de methode Withuis nog klassikaal. De kinderen konden vrij aardig stil zitten en geconcentreerd naar de uitleg luisteren konden ze de meesten ook. Huiswerk werd gemaakt, anders raakte men, net als op school, achter. De doorzetters haalden in drie jaar het koningsdiploma en leerden aan de hand van het ‘groene lesboek’ het schaakspel verder doorgronden. Het lesgeven aan deze groep vond ik het leukste. Ze kregen glad gewonnen stellingen uit het boek tegen mij te spelen. Vrijwel nimmer lukte het een leerling bij de eerste poging de weg naar winst te vinden. En dat gold voor alle stellingen uit het boek. Het doorgronden van een stelling met verleidingen, dat komt niemand aanwaaien. Daarvoor is oefenen nodig, veel oefenen. En het hield mij ook scherp.

De overgang naar de individuele methode van Wijgerden mocht dan wel in de tijdgeest passen, voor de lesgever werd het een stuk zwaarder. De kinderen volgen hun eigen tempo, vragen liefst allemaal tegelijk aandacht en hebben nauwelijks nog geduld om uitleg te volgen. Terwijl je uitleg geeft aan een leerling, gebeurt er van alles achter je rug: uitdagen, spullen afpakken, stoeien. 

Bleven voorheen de kinderen in hun eigen leerjaar, nu hebben we alle niveau’s door elkaar wat ook weer een extra dimensie geeft aan de groep-dynamiek. Niet alle oudere kinderen gaan netjes om met hun jongere soortgenootjes. Conflictjes zijn het gevolg en die moeten ook maar weer opgelost worden.

Het wekelijks lesgeven op de club wordt – gelukkig- al weer enkele jaren door anderen gedaan.
Ik neem de projecten voor mijn rekening. Zoals op dit moment een serie lessen voor de Buitenschoolse opvang. Ook ik heb gemerkt dat de kinderen in de huidige tijd een overdosis aan prikkels krijgen en snel zijn afgeleid. Reden om het aantal kinderen in één groep te limiteren tot zes. En dat bevalt mij prima. Ik heb iedereen voor mij zitten en kan met mijn ogen en een enkel woord orde houden. En dan blijken het spontane, leuke en leergierige kinderen. “Ik denk dat jij liever aan het spelen was, dan schaken” is mijn vriendelijke opmerking richting een dromerig jongetje dat de torens gebruikt als fundament voor een bouwwerkje. Hij knikt. “Maar de juffrouw heeft mij gevraagd om schaakles te geven en niet om met jullie te spelen” vervolg ik. Het argument slaat aan: hij vertrekt uit dromenland en doet weer volop mee met de les.

Bij schakertjes zitten verhoudingsgewijs nogal wat bij-de-handjes. Bij de start van dit seizoen, op de eerste club-avond, kwam een jongetje opgewekt naar mij toe met deze ontwapenende mededeling: “Ik heb van de zomer drie crematies gehad en ik weet ze nog allemaal”. Drie, vroeg ik, zoveel? En wie waren dat? Hij telde even op zijn vingers. Oma, opa. “O, nee. Het waren er twee”. Maar ik weet ze allebei nog precies”.  

Schaakles geven, dat is niet iets dat ik snel zal loslaten.  

Scroll naar boven