Zeer onlangs kwam Robbert Dijkgraaf weer eens naar Nederland. De directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton kwam in DWDD een lezing geven over Einstein. Nu is Dijkgraaf niet alleen een natuurkundige van de eerste rang, hij kan ook nog eens goed en op aansprekende manier vertellen. Zijn onderwerp: Einstein. Beter gezegd, een collage van de meest aansprekende dingen die Einstein had bedacht.
Dijkgraaf kweet zich enthousiast van zijn taak. Natuurlijk, wie had anders verwacht? Hij bracht de relativiteit van de tijd ter sprake en het bekende “eeisemceekwadraat” en legde meteen uit dat deze ontdekkingen aanzienlijke praktische consequenties hadden. Van de noodzaak een en ander in een GPS te implementeren en de ontwikkeling van de atoombom op basis van Einsteins beroemdste formule.
Dijkgraaf presenteerde een groot aantal van Einsteins wapenfeiten. Schitterende pareltjes, stuk voor stuk. Op de argeloze luisteraar in de zaal of voor het plasmascherm moeten deze overgekomen zijn als evenzovele onafhankelijke “schoten in de roos”. Maar, wat Dijkgraaf niet kon vertellen in kort bestek was dat een aantal van Einsteins schoten in de roos helemaal niet onafhankelijk is van elkaar.
Neem de relativiteit van de tijd en E=mc2. Die twee hebben onmiddellijk met elkaar te maken. Huh? Ja, onmiddellijk. Maar de weg van het een naar het ander vergt enige college-uren en het gebruik van enige wiskunde. Er is sprake van een niet-triviale, maar wel duidelijk te beschrijven innerlijke samenhang.
“Ja ja, het zal allemaal wel”, denkt u misschien. “Allemaal heel leuk, maar wat moet dat in een column over schaken?”
In mijn boekenkast staan de nodige leerboeken van Euwe, geschreven in het tijdvak midden jaren dertig – midden jaren zestig van de vorige eeuw. De boeken staan vol met beschouwingen over stellingskenmerken waarop men moet letten bij het spelen. Maar in elke concrete stelling zijn sommige van die kenmerken belangrijker dan andere. En daar zit’ m natuurlijk de kneep. Iedere halve zool kan de kenmerken leren en begrijpen, maar hoe komt men tot begrip van de interne samenhang? Al die voorbeeldpartijen in de leerboeken beogen die samenhang in concrete situaties te laten zien. En… zijn we allemaal al grootmeester?
De grote spelers begrijpen iets dat de meesten van ons ontgaat, want zij winnen consistent van de mindere spelers. In allerhande concrete, nieuwe situaties. Hebben zij een “interne” theorie, waarmee zij stellingskenmerken kunnen koppelen aan concrete situaties? Dat is niet ondenkbaar, want concrete situaties laten zich vast wel op een zinvolle manier classificeren. Maar die theorie, als zij bestaat, is voorlopig niet expliciet. En die toestand moet je misschien wel koesteren als schaker! Immers, als die theorie bekend was en eenduidig op te schrijven, dan zou iedere studieuze schaker uiteindelijk grootmeester zijn. En – helaas – dat is de dood in de pot; wij schakers leven nu eenmaal van rang en stand. Onwetendheid in dit opzicht is de redding van het schaakspel als spel. Een bizarre, maar juiste constatering, dunkt me.
Dat van die “interne” theorie is wellicht een hersenspinsel en is er iets heel anders aan de hand. Voorlopig kunnen we in elk geval wel constateren dat schaken moeilijker is dan een verband leggen tussen de relativiteit van de tijd en Einsteins beroemdste formule. Ik ben daar eigenlijk wel blij mee.
