Zoals iedereen weet gaat het schaakspel nergens over. Het is een bezigheid die voldoening kan geven en die mensen van de straat houdt. Maar een bezigheid met een wijde horizon is het niet. Wiskunde heb je nodig om bruggen te bouwen en je computer te laten werken. Het schaakspel is een eiland in de zee van de menselijke bezigheden dat zonder bezwaar onontdekt had kunnen blijven. Je bent dan ook een kampioen van het Niets als je jezelf op dat eiland bezighoudt met kwesties die op hun beurt eigenlijk niets met schaken te maken hebben. Maar wie doet dat dan? Wie is de kampioen van het Niets? Ik ken hem niet persoonlijk, maar zijn naam ken ik wel: Edward Winter.
Gaat u maar eens naar www.chesshistory.com/winter/archives.html. Klikt u dan eens op “Morphy v the Duke and Count”. De vraag die in dat meesterlijke stuk centraal staat is deze: welke opera werd er opgevoerd terwijl Morphy in een Parijs operahuis in 1858 zijn beroemde partij speelde tegen de Hertog van Brunswijk en Graaf Isouard? O, ik weet zeker dat u de partij in uw jonge jaren wel gezien hebt. Valt in het genre “Meester tegen Amateurs”, een verplicht nummer voor elke ijverige schaakstudent. In de boekjes staat vaak dat de Barbier van Sevilla werd opgevoerd, maar Edward Winter bespreekt de mogelijkheid dat het ging om de opera’s Norma, La Cenerentola of Figaro’s Hochzeit. Winter weet nog te vermelden dat dit een thema was waar ene Morgan zich in 1954 het hoofd over brak, ene Purdy in 1955 en waarover voorts de heren Fine (1951), Lawson (1976) en Golombek (1976) uitspraken hebben gedaan. “Lekker boeiend” zou mijn dochter zeggen.
Toch is alleen Winter de echte kampioen van het Niets. Kijkt u nog even met mij mee. Hij heeft het over “A Chessplaying Astronomer”, de astronoom Antoniadi die een kaart tekende van de planeet Mars, een niet-deugende kaart van Mercurius en die in staat bleek om de Amerikaanse kampioen Frank Marshall te verslaan in een reguliere partij. Het zou misschien een interessant item zijn wanneer Antoniadi een beroemd sterrenkundige geweest was. Volgens mij heeft hij die status niet.
Maar Edward Winter spant zo’n beetje de kroon met zijn stuk “Where did they live?” Hierin staan de door hem met ongetwijfeld veel moeite achterhaalde adressen van bekende schakers van voor de Tweede Wereldoorlog. Het blijkt dan dat Euwe in Amsterdam heeft gewoond op Paardekraalstraat 8, Valeriusstraat 173, Joh. Verhulststraat 183 en ook nog in Rotterdam in de Kortenaerstraat 24. De bronnen van al deze wijsheid worden met datum en al keurig vermeld, zoals het hoort.
Vermakelijk is verder de toestand van oorlog die er schijnt te bestaan tussen hem en de Amerikaanse grootmeester Larry Evans. “The Facts about Larry Evans” is een prachtige uiting van een man die zich vreselijk in zijn kuif gepikt voelt. Uiteraard gaat het nergens over. Ik zie het voor me. Een uiterst gedistingeerde Winter in een groot en koud Engels landhuis bij een knappend haardvuur. Driftig met een rood potlood in de weer om het Engels van allerlei lieden te bekritiseren met het parmantige tussenwerpsel (sic!) als het niet geheel volgens Bartjens is gegaan. Ik weet nu eigenlijk niet of ik een grote hekel aan hem zou krijgen, of dat ik hem in mijn hart zou sluiten. Maar een ding weet ik wel: hij en hij alleen is de Kampioen van het Niets.
