Je bent een echte ‘Kattukker’ als je 35 jaar na je vertrek uit Katwijk nog steeds een warm gevoel bij het dorp aan zee hebt. Bij mij is dat het geval en niet alleen omdat ik daar leerde schaken. Het schaken in Katwijk was in de jaren 70 van de vorige eeuw van een ongekende allure. Euwe was er. Korchnoi, Timman, Donner, Piket en vele anderen speelden er. Het lyceum was meermalen nationaal kampioen, ver voor alle stedelijke gymnasia. Aan zee vonden jaarlijkse ontmoetingen plaats met Engelse vrienden uit Lowestoft, in de strandtenten werd gevluggerd met de Leidse schakers. Schakende ondernemers droomden van internationale toernooien die weliswaar nooit plaatsvonden, maar alleen de gedachte eraan was al genoeg om energie van te krijgen. De jeugdafdeling van de schaakclub was groter dan de afdeling senioren. En sterker.
Een paar toevalligheden brachten me de afgelopen weken weer aan het denken over Katwijk. De eerste was de wedstrijd tegen LSG 4, waar ik kort sprak met Folkert Jan Geertsema. “Drie Katwijkers achter de borden vandaag”, sprak hij weemoedig. Eén ervan was ik. Een week later viel me op dat Frans Vreugdenhil, wereldrecordhouder schaakclublidmaatschappen, ook lid van Schaakvereniging Katwijk was. “Aparte karakters” vertelde hij me. Alsof ik dat niet wist. Schaakvereniging Katwijk, opgericht in 1934, bestaat niet meer. De doorstart, in 2008, was van korte duur. Dat laat een plaats met meer dan 60.000 inwoners zonder schaakclub. Een klein drama.
En weer piekerde ik over de toekomst van het schaken. Schaken als verplichte lesstof op school zou helpen; wetgeving die ouders verplicht om hun kinderen schaken te leren ook. Maar helaas, het communisme van deze snit is voorbij. Wat moeten we dan doen? We hebben clubs en stichtingen nodig die het jeugd- en schoolschaak bevorderen en die het enthousiasme van de jeugdtrainers in goede banen leiden. De organisatie van een jaarlijks schoolschaaktoernooi moet heilig zijn voor een schaakclub. Als je dat niet meer doet, dan lijk je op een Christelijke kerk die het Paasfeest niet meer viert en ben je ten dode opgeschreven.
Wat in Katwijk is gebeurd, zouden we in Zoetermeer moeten voorkomen. Bij de gesprekken tussen de beide verenigingen Promotie en Botwinnik zou de relatie met de 120.000 bewoners van Zoetermeer voorop moeten staan in plaats van onderling te miezemuizen over de toegang tot elkaars clubavonden en de gebundelde kracht van het eerste team (dat zonder instroom van jeugd toch zwakker wordt). Misschien is het wel zo dat de club met de meeste toegang tot de stad en met de meest enthousiaste trainers beschikt over het grootste kapitaal. Laten we vooral dat kapitaal koesteren en ermee woekeren. Zonder jeugd is er geen toekomst. Niet voor Promotie en niet voor Botwinnik.
Wat in Katwijk is gebeurd wil ik in Zoetermeer niet meemaken.
