Op schaaksite.nl las ik onlangs een artikel met de titel “Hoezo krimp”. Misschien moet ik eerst uitleggen dat beleidsambtenaren een paar jaar geleden een nieuwe dimensie aan dat woord hebben gegeven. In mijn jeugd kromp alleen kleding in de was als met een te hoge temperatuur werd gewassen. Wat later bleek mijn moeder ook te krimpen. De wind kon krimpen en zo ook de maan. En weer wat later ontdekte ik dat er ook ‘krimpende’ markten waren.
In deze contreien hebben we te maken met ontvolking van het platteland. En dat vinden beleidsambtenaren geen mooi woord. Meestal komen er dan nieuwe, interessant klinkend termen die afgeleid zijn uit de Amerikaanse variant van het Engels. “Depopulatie” had het eigenlijk moeten worden, maar dat lijkt te veel op deportatie. En dat is geen fijn woord. Want deportatie impliceert actie van een overheid. Dat de effecten van beide woorden gelijk zijn berust op toeval. Het oer-Hollandse ‘krimp’ kwam uit de hoge hoed. En binnen enkele weken spraken alle gezagsdragers, ambtenaren, journalisten van ‘krimp’. Inmiddels weten alle Groningers (en Limburgers) wat er mee bedoeld wordt en wat de gevolgen zijn: teruglopende werkgelegenheid, sluiten van winkels, opheffen van buslijnen, vertrek van jongeren naar het Westen.
Binnen onze schaakwereld houden we het gelukkig nog op ‘afname van het aantal leden”.
In het boven vermelde artikel gaat het over de Groninger vereniging SISSA. Waar het zo gezellig is.
Tussen de regels door is een sneer te proeven aan de fusieclub Groninger Combinatie, door te stellen dat fuseren en zwaktebod is. SISSA speelt zijn interne wedstrijden in een café. Dat is leuk voor de mensen die boven de achttien zijn (met pilsje in de hand op de foto), maar voor jeugdigen is dat geen gewenste omgeving. Het lijkt er dus op dat de andere verenigingen de jeugd mogen opleiden en dat, zodra zij achttien zijn, de verlokkingen van SISSA: barbecues, vrouwenteams en spelen te midden van met alcohol-accijns belaste dranken, velen van hen doen wisselen van club. “Geef je leden iets wat ze elders niet zullen vinden”, dat is het advies wat ons, schaak-bestuurders, wordt gegeven.
Wij schaken in een gezellig wijkcentrum met een volledige vergunning. De voorraad drank is gevarieerd genoeg voor de doorsnee ‘innemer’. Er staan vijf biljart-tafels waarop vrijwel elke avond gespeeld wordt. Op een groot scherm worden voetbalwedstrijden vertoond en de horeca-prijzen zijn zeer schappelijk. Aan deze ambiance kan het dus niet aan liggen dat wij weinig leden hebben.
Vrouwen, tsja, die hebben we niet meer. Onze twee jongedames zijn, na hun verhuizing naar Groningen, voor SISSA gaan spelen (!). En bij de jeugdleden zitten op dit moment geen meisjes. Dat kunnen we dus voorlopig wel vergeten.
Ik weet van alle mij bekende schakers die in Veendam wonen en geen lid van de club zijn, wat de reden is waarom zijn geen lid (meer) zijn. Eén van die redenen zal ik hier noemen: doordeweeks in het Westen of Zuiden verblijven voor het werk. Geen van die redenen betreft het ontbreken van gezamenlijke ‘buiten-schaakse’ activiteiten of te weinig gezelligheid in het algemeen.
Wij hebben (ik heb daar al eerder melding van gemaakt) ons heil gezocht in samenwerking en dat bevalt prima. Het eerste combinatie-team werd het eerste jaar van de samenwerking kampioen in de promotieklasse, in het tweede jaar werd klasse-behoud gerealiseerd in klasse 3A en dit jaar staan we na twee ronden gedeeld eerste. Dat zal wel niet zo blijven, maar voor het moment genieten we er van. Daar kan geen barbecue tegenop.
