Lekker puh!

Lekker puh! , door Manuel Nepveu

Ik mag graag kijken naar documentaires over de levens van grote kunstenaars. Maar het moet in die kunstenaarslevens dan wel zo gaan als ik dat wil. De kunstenaar die het ene na het andere meesterwerk voortbrengt heeft mijn sympatie, mits hij zuipend, snuivend en zichzelf de oren afsnijdend regelrecht richting zes houten planken speert. Als de kunstenaar in weelde baadt op zijn dertigste en op zijn vijfenzeventigste nog kroelt met een lekkere del van vijfentwintig gaat de knop van mijn televisietoestel onherroepelijk om. Zo zijn we niet getrouwd!

Als schaker bof ik toch maar. Als ik bijvoorbeeld de biografieen napluis van de negentiende eeuwse beroepsschakers wordt het me waarachtig warm om het hart.
Kieseritzky (1806-53) begint heel verstandig als leraar wiskunde, maar gaat als vroege dertiger naar Parijs om in het Café de Régence beroepsschaker te worden. In echte toernooien presteert hij zeer matig en in de “Onsterfelijke Partij” zit hij aan de kant van het bord waar de klappen vallen. Hij heeft communicatieve problemen, een onappetijtelijk uiterlijk en een scherpe tong. Als hij sterft komt hij in een armengraf omdat niemand voor een ordentelijke begrafenis wil zorgdragen en buiten de butler van Café de Régence is er niemand bij zijn begrafenis aanwezig.
Neumann (1838-81) is een schaker waar U misschien niet van zult hebben gehoord. Als twintiger ontwikkelen zijn schaaktalenten zich snel. Hij behoort rond 1870 zeker tot de beste tien schakers van Europa. Matches met iets mindere goden wint hij met grote cijfers. Maar tijdens een zo’n match openbaren zich problemen in de bovenkamer. Eerst moet hij het schaken eraan geven, tenslotte is zelfs opname in een inrichting het enige wat rest.
Hij sterft “in somberen waanzin”, zoals de vroeg twintigste eeuwse schaakpublicist Kloosterboer meldt.
Pillsbury (1872-1906) komt uit een well-to-do Amerikaans nest. Hij schijnt voorbestemd om een zakenloopbaan te volgen, maar in de jaren negentig wordt hij beroepsschaker. Zijn eerste grote toernooi (Hastings 1895) wordt een maximaal succes. Het jaar daarop doet hij mee aan een invitatietoernooi in Sint Petersburg. Daar laat hij zich in met “wilde wieven”. Bouwmeester vermeldt in een van zijn boekjes terughoudend dat Pillsbury kort na zijn dertigste lijdt aan een ongeneeslijke ziekte en dat hij uiteindelijk “door de dood uit zijn vreselijk lijden wordt verlost”. Aan die ziekte lijdt Pillsbury overigens al veel eerder.
Het was natuurlijk syfilis.


Er zijn natuurlijk ook heel andere schakers geweest. Maar die kent U niet en die wilt U ook niet kennen. Ignaz von Kolisch (1837-89) is er zo een. Hij was een van de beste spelers in de zestiger jaren, maar was wel zo verstandig om ook een van de besten te wezen op de beurs. Hij had zijn schaapjes op het droge aan het eind van genoemd decennium. Hij ondersteunde toernooien met zijn portemonnee en is als (mede)organisator heel belangrijk geweest. Als rechtgeaarde schaker wilt U natuurlijk niets van zo’n degelijk tiep weten.
Ook uit de voorbije eeuw kennen we schaakkunstenaars die juist wel of niet tot de verbeelding spreken. Wat men over honderd jaar van Karpov zal zeggen weet ik niet, maar dat hij dan nog enorm tot de verbeelding zal spreken geloof ik nauwelijks. Maar Fischer zal het onderwerp worden van vele psychologische dissertaties en de partijen die hij speelde zullen daarbij zeker niet op de voorgrond staan.

Waarom toch mijn voorkeur voor (schaak)kunstenaars met een tragisch leven? Misschien ligt de verklaring in een naar, afgunstig karaktertje. Wie mij goed kent oordele zelf.
Misschien ligt de verklaring in het feit dat een grote mate van “normaalheid” niet lijkt te stroken met een grote mate van genialiteit. Euwe, bijvoorbeeld, maakte toch wel een merkwaardige indruk als schaker. Ooit tussen de besten van de wereld verkerend was hij voor het overige een saaie burgerman, een oppassend huisvader en leraar wiskunde aan een meisjes-hbs. Maatschappelijk was hij een succesnummer. Een zeer creatieve geest die zich aan maatschappelijke conventies houdt, het lijkt nauwelijks met elkaar te rijmen.
Maar misschien is dit een achterhaald idee uit de Romantiek. Misschien moeten wij gewoon extra bewondering hebben voor degenen die weten te presteren ONDANKS het feit dat de neuronen in hun bovenkamer raar geschakeld zijn. Ik weet het niet.

Enfin, mijn rating zit net boven de twee duizend. Ik ben dus geen schaakkunstenaar. Maar ik heb vrouw en kind, een reguliere baan bij een goede werkgever, weet hoe ik syfilis moet voorkomen, zit niet in een inrichting, en gebruik mijn scherpe tong alleen als ik zeker weet niet op mijn smoel getimmerd te worden. Lekker puh!

Scroll naar boven