Eind december was Groningen weer “Schaakstad van Nederland”, een sterk bezet toernooi en een veteranen match Timman-Karpov waren daarvan het fundament. Eigenlijk zou het hele festijn min of meer aan mij voorbij gegaan zijn, ware het niet dat Timman er eigenhandig voor zorgde dat mijn belangstelling werd gewekt. Niet door briljante zetten of flagrante blunders. Nee, iets heel anders.
Maar eerst nog even mijn desinteresse toelichten. Ik heb het nooit zo op Karpov gehad. Met een gelijkenis aan Crimson (voor de niet-kenners: een vaste slechterik in de Suske en Wiske verhalen) en een reputatie van ‘partijman’ staat hij natuurlijk al op achterstand ten opzichte van mensen als Kasparov voordat wij het gaan hebben over de aantrekkelijkheid van de speelstijl. Timman was mijn vaderlandse favoriet, doch op den duur won het avontuurlijke van van Wely het, als het om mijn voorkeur gaat. Een beetje fletse affiche dus, in mijn optiek.
Het wordt opeens interessant als bekend wordt dat Timman de laatste partij met een gebroken hand gespeeld heeft. Vergelijkingen doen zich direct voor. Bert Trautmann, kort na de oorlog keeper bij Manchester City, is wereldberoemd geworden omdat hij met een gebroken nek door had gespeeld. Hij had al een bijzondere positie omdat hij als voormalig Duits krijgsgevangene in Engeland was gebleven. Het doorspelen met een gebroken nek maakte hem tot een icoon. Voor een schaker zal op die basis eeuwig roem er niet inzitten. Die hand werd niet opgevoerd als excuus voor het verlies van de vierde partij. De breuk was het gevolg van een struikeling voor het hotel waar hij verbleef. Oorzaak onbekend. Met een ongelukkige afloop zoals dus later bleek.
Een paar maanden eerder waagde mijn echtgenote met enkele andere mensen zich aan het plukken van appeltjes. Het was een mooie dag in september en men had lol. Daardoor werd niet meer zo goed gelet op de ondergrond en zij struikelde over een boomstronk. Een gebroken pols was het gevolg. En dat is iets wat men maar beter niet kan hebben, vooral niet in het weekeinde. Een schier eindeloze serie ziekenhuis bezoeken hopen we deze maand af te sluiten en de fysio-therapeut zal zeker nog een half jaar zich over haar ontfermen, voor behandelingen die veel weg hebben van martelen. Talloze uren hebben we samen doorgebracht in de wachtruimten.
Daar zit je dan je tijd te verdoen met tientallen anderen. Want het tijdstip maakt weinig uit, er is altijd vertraging. Afspreken vroeg in de morgen helpt ook niet. Niks hoor: wachten zal je! En wel minstens een half uur. Er is vrijwel niemand die zijn tijd vult met lezen of schaken. Je ziet ook nog geen laptoppers zoals in de trein. Vrijwel niemand, de begeleiders incluis, zit er opgewekt bij. Er wordt niet eens zoveel gepraat, men laat de tijd passeren in afwachting van eventueel naderend onheil. Ook ik ontkom daar niet aan. Anders dan bij treinreizen heb ik geen (schaak)literatuur bij mij en doe eigenlijk net als de rest: een beetje bladeren in de tijdschriften.
De polsbreuk heeft ook in ander opzichten invloed doen gelden. De eerste drie maanden was ik volledig mantelzorger en belast met het gehele huishouden. Inmiddels kan zij mij daarbij al wat assisteren. Dat mantelzorgen heeft tot effect dat ik ’s avonds niet laat kan thuiskomen. Zij heeft permanent pijn en alleen nachtrust bevrijdt haar daarvan. Zij kan zich zelf ook niet ontdoen van normale kleding. Niet laat kunnen thuis komen betekent dan ook: geen schaakwedstrijden spelen. Hier zit het verschil. Als het mij was overkomen, dan had ik met een gebroken pols, mits van huis opgehaald, net als Timman, gewoon kunnen schaken.
