Manuel Nepveu, 20 jaar redacteur door Ruurd Kunnen
Toen Manuel Nepveu in oktober 1984 bij Promotie binnenliep, konden wij niet bevroeden dat dit personage zou uitgroeien tot een van de meest markante meubelstukken van de vereniging. De club stond op de drempel van grote veranderingen. In het seizoen 1984-1985 behaalde Bernard zijn eerste titel en een seizoen later veroverde Promotie een plaats in de KNSB.
Zijn eerste partij speelde Manuel (als ik mij goed herinner) tegen Henk Noordhoek. Destijds leek dat toeval, maar nu weten wij dat het een teken van de voorzienigheid was. Het werd remise. In de volgende ronde won Manuel van mij een interessante Franse partij. Die Nepveu was best een goede speler, daar konden we nog plezier van hebben. Bernard dankte zijn eerste kampioenschap onder andere aan een winstpartij tegen Manuel. Hij schreef daarover in het clubblad:
MIJN REVANCHE TEGEN NEPVEU.
Dit jaar heb ik twee keer met wit tegen Manuel mogen spelen. De eerste keer verloor ik op een verschrikkelijke manier, waarna in de finalegroep de stand gelijk werd getrokken.
Zo gaat dat tegen Bernard.
De schrijver
Een goede schaker is ook een goede schrijver. Een empirisch onhoudbare stelling, maar toch leuk om zo nu en dan te herhalen. Voor Manuel gaat hij wel op, hoewel sommige naijverige betweters beweren dat de stelling in dit specifieke geval slechts geldig is als één van beide woordjes "goed" wordt weggelaten (en u mag kiezen welk).
Het eerste stukje van Manuel stond in het clubblad van 14 april 1985. Het ging over Albins tegengambiet.
Heeft u dat ook wel eens, dat u moet spelen tegen een veel zwakkere speler en dat u fiks balorig bent? Meestal heb ik er geen last van, maar soms ….
Dat begon al een beetje te lijken op de Nepveu die wij kennen. Eén nummer later kwam hij nog beter uit de verf:
In het weekend van 21 – 23 juni j.l. hebben vier Promotieschakers, te weten Freak Grims, Zenuwlijder Bannink, Wurger Wijks en Meneer Nepveu zich op bewonderenswaardige wijze aan zichzelf vergrepen. In het genoemde weekend deden zij gevieren mee aan het SV Den Haag weekendtoernooi. (…) Grims en Wijks maakten van de mogelijkheid gebruik één ronde niet te spelen en toch een halfje te incasseren. De lafaards!.
Meneer was nog geen jaar lid van de club, maar hij had zijn plekje al helemaal gevonden.
Manuel schreef in zijn eerste jaren bij Promotie meestal vrij korte schaaktechnische stukjes, voorzien van een inleidende tekst. Ze droegen titels als Pijl, Sigaar, Mode, Dame, Kicken. In wedstrijdverslagen ontlook geleidelijk zijn schrijverstalent.
Het is kwart over acht en bovendien 21 maart. De astronomische lente is aangebroken en mijn wekker gaat af. Deze samenloop van omstandigheden kan geen toeval zijn. Er staat iets groots te gebeuren, vandaag.
(..) Door het park loop ik snel naar het sprinterstation en even later sta ik op Centrum-West. Er is niemand. Geen Bannink. Geen Noordhoek. Geen Blankespoor. Het is al bijna vijf voor negen. Als ze er over een kwartier niet zijn ga ik subiet terug. Maar zie, daar is de bus naar Delft. 10 juli 1584. Leuk stadje, Delft. Hé, daar is Noordhoek. Met zijn rug naar de chauffeur in een vrijwel lege bus. Typisch Noordhoek. Hij wenkt. Ik stap in en ben opgelucht. De helft van het team is er. Of Blankespoor komt? En Bannink? Wat! Blankespoor neemt vijf blagen mee in zijn limousine? Is hij van lotje? Ja, inderdaad, van lotje. Hij is. Maar Bannink? Oh, op zijn fiets naar een Zoetermeerse uithoek, een zuidhoek. Daar pikt de bus hem op. Zeker weten? Zeker weten!
(…) Bannink glipt naar binnen. Of Noordhoek soms gek is? Rijdt-ie soms altijd met z’n neus naar de bus z’n staart? Dat is hardstikke slecht. Zo kan-ie straks niet schaken. Ik lach mild. Ik ben de wijste. (…) Men stapt uit. (…) Men gaat de zaal binnen. Schouwtoneel van Verschrikking? Schouwtoneel van Glorie? Alla, Blankespoor. En vijf blagen. Twee blagen Smaal. Het blagenpaar Bos/Coene. Blaag Bergman. Promotie 2 zeker.
Jeugdleden werden door Manuel toen nog "blagen" genoemd. Later zou hij overgaan op "guppen".
Redacteur
In 1987 nam het duo Hans Meijer en Manuel Nepveu het redacteurschap van het clubblad op zich, de eerste jaren samen met Peter van den Toorn. Er is veel moois uit hun pennen gevloeid, en wij zijn dankbaar dat wij dat hebben mogen meemaken. De heren vulden elkaar perfect aan. Hans was de erudiete, filosofische beschouwer, op zoek naar de waarheid van het schaakspel; Manuel de onbehouwen verteller, op zoek naar de waarheid van het bestaan. Hun samenwerking was voorbeeldig en intens.
Ik kom in een auto te zitten met de krasse Meijer, de immer vrolijke Bannink en de uiterst rustige Ten Hoor. De guppen die meegaan komen onder de hoede van de Wals. Het is rustig bij de weg en niets lijkt er op te wijzen dat Caïssa ons zal kastijden. (…) Even voor half elf meldt Meijer dat hij een afslag gemist heeft. Wij hebben hem met ons gekwek afgeleid. Nu had niemand van ons hem genoopt zich met het gesprek te bemoeien. Het is dus zijn eigen fout. Ik als bijrijder neem me voor Meijer af en toe de helpende hand te reiken. Tien minuten later meldt hij dat hij waarschijnlijk weer iets gemist heeft. En toch is Meijer altijd heel kras geweest voor zijn leeftijd. Ik besluit dat ik nu echt borden moet gaan lezen. Weer tien minuten later piept Meijer dat hij alweer op de verkeerde weg zit. Ik trek mijn conclusies in stilte. In ieder geval staan we met een nul achter.
De weg voert ons naar de Belgische grens. (…) Ik heb de kaart voor me genomen. Weliswaar is er slechts een rechte weg, maar met de anders zo krasse Meijer neem ik nu geen enkel risico meer.
Antwerpen naakt. De havens komen in zicht en maken geen enkele indruk. Ik vertel Meijer dat hij de bordjes Hulst moet volgen. Het gaat goed. De betonnen platen op de weg houden Meijer wakker. In het Zeeuwse is alles rustig. We passeren Club Playgirls, maar gelukkig heeft Hemmo ten Hoor geen geld bij zich. Meijer trapt voor de zekerheid het gaspedaal in.
In Terneuzen, dat ongeveer zo groot is als Uw broekzak, rijdt de anders zo krasse Meijer nog maar een keer fout. We zijn er.
Doctor Doceert
Manuel heeft veel geschreven over allerlei onderwerpen en bij velerlei gebeurtenissen. Zijn grootste prestatie is de artikelenserie Doctor doceert, een reeks opstellen voor clubschakers. De eerste aflevering van Doctor doceert stond in het clubblad van maart 1989 en ging over de opbouw van een openingsrepertoire. "Dit wordt de eerste in een heeeeeele reeks van artikelen over de technische aspecten van ons mooie spel". In december 2005 verscheen de vijftigste en laatste aflevering (fout! , zie blz. 23 – red.). De meeste aspecten van het schaakspel zijn wel behandeld, maar Manuel had een voorliefde voor minder schaaktechnische onderwerpen. Op zijn geliefde onderwerp van het verschil tussen de KNSB en de HSB komen we nog te spreken. Daarnaast heeft hij geschreven over schaken als wetenschap, Kunst & Sport, over schakersgedrag, computerschaak, plannen en sjablones en over nog veel en veel meer. Doctor Doceert was geen gewone Inleiding tot het schaakspel – daar hadden anderen al volop in voorzien -, maar niettemin zeer leerzaam. De serie is het waard nog eens gebundeld te worden. Een aantal jaren nam Doctor Doceert onze redacteur geheel in beslag. Hij had er zijn handen vol aan, maar zijn ei kon hij er in kwijt.
De sigaar
Vanaf zijn eerste verschijnen bij Promotie staat Manuel bekend als "de man met de sigaar". Er zijn meer sigarenrokers, maar bij anderen valt het minder op. In 1986 had hij een theoretische discussie met Jan de Rijk over een Grünfeld Indische variant. De discussie werd in hun onderlinge competitiepartij beslist. Ze hadden er een weddenschap op afgesloten: wie won zou van de ander een doos sigaren krijgen. "Reden dus om er iets moois van te maken." Manuel, met zwart, kreeg gelijk en Jan was de sigaar:
Wit gaf nog een zet af, maar toen ik hem uit de losse pols wat varianten liet zien (zwart komt als een tank binnen met de koning), gaf hij maar meteen op.
In 1992 schreef Manuel over de gevaren die het clubleven bedreigden.
(…) Maar het allerergste, het vuigste teken van de algehele neergang van Het Schaakwezen is de recente en pijnlijke ontwikkeling van de oprichting van rookvrije schaakclubs. Hierin kunnen wij Heren slechts zien de totale ontkenning van alle waarden die Het Schaakspel hooghoudt: het leggen van rookgordijnen, de geur van rokende puinhopen en het hinderen van de tegenstander!
Weliswaar is onze dierbare club S.V. Promotie nog steeds niet getransformeerd in een rookvrije vereniging, maar de tendens om De Rook te weren van De Slagvelden is aanwezig. Waakt Heren en Verzet U! ►
Toch veranderde Promotie ook. eerst mocht er tot half tien niet worden gerookt, later werd roken in de speelzaal helemaal verboden. Manuel beschouwt sigaren niet alleen als genotsmiddelen waar een echte schaker niet zonder kan, maar hij gebruikt ze ook als wapen in de strijd.
De wedstrijdleider opent het festijn met de mededeling dat de gasten zo min mogelijk moeten roken. Ik steek onmiddellijk een sigaar op. Mijn tegenstander, zo verneem ik, heeft de ziekte van Pfeiffer. Dat zit dus wel goed. Onopvallend blaas ik de rook zijn kant op.
De meesten clubgenoten lieten hem zijn gang maar gaan overwegende dat een tevreden roker geen onruststoker is, maar anderen met meer verantwoordelijkheidsgevoel meenden er toch iets van te moeten zeggen. Gerhard Eggink schreef in het clubblad (3 februari 1988) het artikel De Kwestie Nepveu.
Ik mocht met wit tegen de grote Manuel, en ik was in vorm, wat u in het vorige clubblad heeft kunnen lezen. En ik opende met mijn favoriete opening, 1.f2—f4!. Hierop barstte mijn tegenstander in een honend gelach uit en hij speelde zijn koningspion naar e5. Deze opening heet From’s gambiet en betekent volgens mij dat zwart een pion weggeeft, terwijl mijn forse tegenstander de mening toegedaan schijnt dat zwart in alle varianten wint. Nu mag een ieder zijn mening hebben over een opening, maar hij dient die wel voor zich te houden. Gedurende de eerste fase van de partij — tot het fatale tijdstip van half tien — speelde hij met een arrogante glimlach rond de lippen en schudde hij bij iedere zet die ik deed het moede hoofd alsof ik geen enkele kans had. Maar de situatie op het bord was verre van nadelig voor mij. Tot half tien dan. Want om half tien STAK HIJ EEN SIGAAR OP, en hulde het bord in nevelen. Snel zag ik een loper die zich ongelukkigerwijs op de overkant van het bord bevond uit mijn gezichtsveld verdwijnen, gevolgd door enkele pionnen. Lange tijd bleef ik in het ongewisse over hun lot, en naar de zetten van mijn tegenstander moest ik helemaal maar gissen; noteren van de zetten was al helemaal onmogelijk.
Na de partij, nadat hij mij via een verdienstelijke combinatie — het dient gezegd te worden — mat had gezet en de rookwolken waren opgetrokken, bleek tijdens de analyse dat de hele combinatie geheel onmogelijk was geweest, ALS IK MIJN LOPER HAD GEZIEN ! Hieruit blijkt het duivelse in het spel van mijn grote tegenstander, want ik kon niet meer protesteren; de partij was immers afgelopen?
Een morbide persoonlijkheid
In het clubblad van 4 april 1988 schreef Manuel voor het eerst over een van zijn meest opvallende karaktertrekken en liefhebberijen.
Door degenen die mij kennen word ik algemeen als een morbide persoonlijkheid beschouwd. Dat is ongetwijfeld een juiste taxatie. (…)
In Velden 1996 bezocht het clubje Promotiespelers dat aan een toernooi aldaar meedeed op aandringen van Manuel het plaatselijke Foltermuseum.
Het was me het museum wel: Been- en duimklemmen, Pijnbanken! Judasschommels! Wipgalgen! IJzeren maagden! Radwerktuigen! Hoofdpersen! Zagen! Muilpeertjes! Garotta’s! Tosti-ijzers! Het heerlijkste van het heerlijkste stond daar gereed!
Zoals bekend is het schaken als het leven. Het zal daarom geen verbazing wekken dat een kenner van martelwerktuigen als Manuel Nepveu warme belangstelling heeft voor een merkwaardig fenomeen in het schaakspel, de wurgpartij. Zoals in het clubblad van 21 oktober 1997. Aflevering XXXIII van Doctor Doceert over Wurgschaak leidde hij (het kon niet missen) als volgt in:
Een aantal jaren geleden, op een min of meer kwade dag, werd een Brits parlementariër van conservatieve snit in zijn woning dood aangetroffen. Hij lag op de keukentafel met een nylonkous strak over zijn hoofd en hij had jarretellen aan en droeg pumps.
Een reconstructie van de omstandigheden maakte aannemelijk dat het parlementslid zichzelf op die tafel eens vrij had willen ontplooien, maar dat hij bepaalde gevaren had onderschat of zelfs in het geheel niet onderkend. Met name had deze modale onderdaan van Hare Majesteit overzien dat de zuurstofvoorziening problematisch kon worden, met die nylonkous zo strak over zijn conservatieve hoofd getrokken.
Men kan zich afvragen wat bovenstaande zinnen in een schaakblad te zoeken hebben. Welnu, er is een aspect aan dit verhaal dat ook bij ons onderwerp van toepassing is. De miserabele situatie van het Britse Lagerhuis-lid had hij aan zichzelf te wijten en bij het onderwerp van deze keer is dat ook nadrukkelijk het geval. Ik zal niet beweren dat mijn volgende verhaal even sappig is als bovenstaande geschiedenis, maar mooi wreed is het wel!
Wurgschaak! Wonderschone gebeurtenis! Vernederend en pijnlijk! Onder de grootsten der groten zijn er die Uw techniek kunnen of konden toepassen, de Nimzowitsjen, de Petrosiannen, de Karpoffen! Aan U, edel Wurgschaak zij dit stuk opgedragen!
Manuel wil graag winnen (wie niet?). Bloed aan de paal. De tegenstander moet gekraakt worden, ogen moeten uit hun kassen worden gerukt en ledematen in het rond vliegen. En wee degene die zondigt – die dient de gruwelijkste straffen van Caïssa te ondergaan. Men leze het huiveringwekkende Auto da Fe, geschreven na de degradatie van het eerste team, erop na.
Er zijn mensen die het interessant vinden op oude (en minder oude) kerkhoven grafstenen van bekende historische figuren te bezoeken. Wie het voorgaande heeft gelezen zal er niet versteld van staan Manuel tot deze categorie mensen behoort.
Mijn morbiditeit blijkt ook op een nog geheel andere wijze: ik ben geobsedeerd door Het Graf. Preciezer, ik zwelg in het genot om op zoek te gaan naar graven van beroemde schakers. Dat is overigens lang geen eenvoudige klus en ik zal U nu van mijn moeilijkheden op dit gebied verhalen. (…).
Een speurtocht naar de laatste rustplaatsen van de legendarische schakers Macdonnell en De la Bourdonnais was in 1980 tevergeefs geweest. Vijftien jaar later had hij meer succes, zoals we in het clubblad konden lezen. Voor degenen die ook willen gaan kijken:
Kensal Green Cemetery: McDonnell Grave 182/392, de la Bourdonnais Grave 108/2796/RS. Graven zoeken bleef een hobby waarvan wij via het clubblad (en enkelen in lijflijke aanwezigheid) mochten meegenieten.
KNSB-spelers en onderbondsknoeiers
Een favoriet onderwerp van onze voormalige redacteur was het verschil tussen het schaken in de KNSB en de HSB. Manuel heeft er veel over geschreven. Hij acht het spelen in de KNSB ver verheven boven wat op de doordeweekse avonden in de onderbond wordt afgeprutst. In oktober 1988 ging hij dieper in op het verschil tussen de KNSB en de HSB en smeekte hij zijn medespelers van het eerste om vooral hun best te doen om niet te degraderen.
Tot slot wil ik nog een vaderlijk en manend woord spreken tot onze eerste achttalspelers, bejaarden zowel als guppen. Zoals gemakkelijk in te zien ontstonden [in de besproken partij, rk] voor Zwart de kansen vooral door gemakkelijk uitgelokte verzwakkingen. In de Promotieklasse komt dat nog erg veel voor. (…) In de KNSB gaat het afdwingen van verzwakkingen doorgaans niet zo simpel. Je speelt daarom in de KNSB betere, rijkere partijen. Dat is natuurlijk waar wij allen naar hunkeren!
Beste collegae van het eerste, doet Uw best in dit seizoen, weest zo veel mogelijk van de partij (desnoods ten koste van vehemente echtelijke twisten), gaat vroeg naar bed en bereidt U terdege voor!
En dit alles opdat wij niet terugvallen in de Hel waar het geweeklaag is en het knarsen der tanden!
Het thema werd in 1991 nog eens uitvoerig behandeld in aflevering XI van Doctor Doceert. Het onderscheid tussen KNSB-spelers en onderbonders had, aldus onze zeergeleerde, schaaktechnische en sociale aspecten. De schaaktechnische aspecten hielden niet veel meer in dan dat KNSB-spelers in beginsel sterker spelen dan spelers uit de onderbond. Dat zou komen doordat KNSB-ers meer weten. Met name hun eindspelkennis is superieur. In sociaal opzicht is het verschil dat het teamgevoel in KNSB-teams sterker is ontwikkeld, en dat komt doordat zij op zaterdag en vaak ver weg spelen. De lange reizen en de Chinees na afloop smeden een band die niet is weggelegd voor de suffe onderbonders die ’s avonds uit hun werk komen, gauw een hapje eten en zich naar de club spoeden om direct achter een bord neer te ploffen. Manuel, die zichzelf in de loop van de serie "Oom" is gaan noemen, zag op het sociale vlak een taak voor zichzelf weggelegd:
Oom heeft de neiging sommige teamgenoten fiks op te fokken: met woede in het lijf schaken ze beter. Dit opfokken gebeurt via het maken van heuse en onheuse opmerkingen die tot gevolg hebben dat menig speler het gal overloopt en Oom voor zijn leven moet vrezen (‘Donder die snor uit de auto, Meijer!’).
Promotie 2 promoveerde in 1992 naar de KNSB.
Wij van het Eerste, Wij Illusteren, hebben er plotseling een achttal collega’s bijgekregen. Nou ja, collega’s …. (…) Groen als gras, onwetend nog van de geneugten van de echte grote mensen-wereld gelijk een peuter. Voor hen is het ongetwijfeld nuttig wat tips te vernemen uit de wereld die KNSB heet. Oom nu is bij uitstek de persoon om die tips te verstrekken.
Maar de jaren vorderden en Manuels positie in het eerste kwam ter discussie te staan. Het noodlot sloeg onvermijdelijk toe en in het seizoen 2000-2001 figureerde hij in het tweede in de HSB. Aandoenlijk ►
is zijn vreugde als hij in het eerste mag invallen in een wedstrijd die Promotie moet winnen om niet te degraderen.
Het eens zo trotse Promotie I, in zijn glorietijd nog met illustere, vette en sigarenrokende slagers in zijn midden, moest aantreden tegen het tweede van het eerbiedwaardige HSG om degradatie naar de krochten der knsb te vermijden. De teamleider deed wat hij kon (…) Ten langen leste werd een bol en onguur tiep nederig gesmeekt om in te komen vallen. Het tiep had gegrinnikt, gegrijnsd en zich van zijn beste kant laten zien: hij had grootmoedig ingestemd en was ingevallen en daarna zelfs nog een keer.
De wc-methode
Ooit, tijdens een toernooi in Dresden, vertelde Henk Luitjes verschrikt dat hij snippers van een notatieformulier in het toilet had zien drijven. Bij het doorspoelen was niet alles meegegaan. Luitjes vreesde dat er iets ernstigs was gebeurd, de eerste toiletgate in de schaakgeschiedenis. Het bleek het werk van Manuel te zijn geweest, die een wanprestatie op de 64 velden had geprobeerd te verwerken. Tevergeefs! Het gebeuren beklijft hem tot op de dag van vandaag. In de Promoot van 27 februari 1999 legde hij uit hoe het zo gekomen is. Hij is op het spoor van het vernietigen van schaakpartijen gezet door zijn voormalige Groningse clubgenoot Arjen Tilstra die al zijn partijen weggooide. Manuel bewaart een paar partijen, overgebleven na een zeer strenge selectie. In augustus 1988 beschreef hij (op de hem eigen wijze) waaraan een goede partij moet voldoen:
Het hangt er natuurlijk van af hoe je je maatstaven kiest, maar ik vind bij mezelf dat hoogstens een van de tien of vijftien partijen het aanzien waard is. Bij U, lieve lezer, liggen de getallen misschien niet zo heel anders. Maar wat voor partijen zijn dat dan, die toonbare?
Het zijn partijen waarvan de uitslag niet door dobbelstenen, gebrek aan sigaren, afwezigheid van sterke koffie, aanwezigheid van wulpse vrouwen en dergelijke bepaald wordt.
Het zijn partijen zonder a-positioneel gerommel.
Het zijn partijen die niet gespeeld zijn tegen Bannink of Eggink.
Het zijn, kortom, partijen uit een stuk.
De merkwaardige gewoonte om slechte partijen door te spoelen neemt echter niet weg dat Manuel een gewone schaker is voor wie diep in zijn hart niets mooier is dan een verloren partij te winnen.
Aan schaakclub ‘de Uil’ uit Hillegom had ik ooit ongedeeld goede herinneringen. Ongedeeld goede. Al zal ik wegzakken in totale dementie, ik zal nooit vergeten hoe ik een partij tegen een Uiltje via de volstrekt potsierlijke medewerking van de Uilse teamleider won. Volkomen onverdiend natuurlijk. Intense vrolijkheid had door het rustieke Hillegom geschald toen ik buiten het oude schoolgebouwtje stond waar dit even daarvoor was gebeurd.
U begrijpt het dus: ik zag het op de zevende april van het jaar onzes Heren negentienhonderd en negentig helemaal zitten om weer een Uiltje te kraken.
Lijden en zelfhaat
Tja, schaken … Kan hij er eigenlijk wel wat van?
Uw scribent hing het hele toernooi in de middenmoot. Hij won een paar onbenullige partijen en verloor een paar keer schitterend. Noch de onbenullige, noch de schitterende partijen worden U aangeboden. Uw scribent kijkt wel uit!
Niet zo lang geleden schreef Harrie Boerkamp in een half serieus, half ironisch stukje dat Manuel qua speelsterkte tussen de HSB en de KNSB in zit. "Manuel als de maat der dingen". Natuurlijk diende Manuel hem van repliek, zoals we nog zullen zien, maar dat zijn partijen niet altijd verlopen zoals volgens Doctor Doceert zou moeten, weet hijzelf als de beste. Manuel kan zeer kritisch zijn over zijn eigen schaakkunst en als er iets mis gaat kan hij lijden als een gekruisigde. Zoals die keer in Nijmegen, toen Promotie dik moest winnen om te promoveren naar de tweede klasse KNSB en Manuel zijn partij in remise liet verzanden.
Maar er was nog iemand van onze tegenstanders, een jonge editie van de hippies uit de zestiger jaren, wiens aanwezigheid niet door elkeen op hoge prijs werd gesteld. Ware deze mensch toch nooit geboren! Hij vertelde met overdreven zoete stem dat mijn tegenstander vóór deze wedstrijd de fijne score had van 0 uit 6 en dat hij ieder, maar dan ook ieder toreneindspel voordien kranig om zeep had geholpen. Niet alleen zei deze field dit tegen mij, maar ook tegen de rest van het Eerste, terwijl hij op z’n gemak een sjekkie zat te draaien. Een rood waas verscheen mij voor de ogen, ik trok mijn slagersmes -altijd handig om bij je te hebben- en deze dag had kunnen eindigen in rood als niet het onderstel van de hippie atletische snelheid had ontwikkeld.
Befaamd is zijn verslag van de wedstrijd tegen Terneuzen in 1988. Promotie won en Manuel gaf een goede stelling remise tegen een zieke tegenstander.
Tragiek in Terneuzen
‘Maar Wammes Waggel is verder, want wat die gelooft is waar’
OBB
Kan ik het toreneindspel winnen? Meijer fluistert dat het wel remise zal zijn. Hij wil naar huis. Ik geloof dat ik goede kansen heb op het volle punt. Mijn tegenstander biedt de half aan en ik vertel hem dat dit tegen de etiquette is. Ik, de voortreffelijke Nepveu, bied remise aan -eventueel- en niet een slechterstaande zieke. En dan komt Caïssa. Wien de Goden liefhebben kastijden Zij. Ik zie dat schaakjes aan de zijkant mijn winstpoging zullen belemmeren. Meijer wil naar huis, het is broeierig en ik denk aan een onplezierige ervaring in Amsterdam. Ik roep de zieke jongeling aan het bord, bied remise aan en vervoeg me bij de krasse Meijer. Die toont zich nu opeens verbaasd en vertelt me dat iedereen besloten had dat ik moest winnen. Een vliegensvlugge analyse toont aan dat de verdediging moeilijk zal zijn en plotseling zie ik dat de positie niet zo eenvoudig te houden is voor mijn tegenstander. (…) De dinsdag daarna ben ik op de club. Een analyse van nog geen tien minuten toont me opnieuw dat dit eindspel gewonnen is en de krasse Meijer geeft me gelijk. Dit keer lacht hij nu eens niet satanisch.
Die avond denk ik -opnieuw- aan al die gevallen waarin ik zelf ten onrechte hele en halve punten cadeau heb gekregen. Het kan me allemaal – wederom – niet opvrolijken. Ik realiseer me dat ik me veel en veel minder rot voelde toen ik voor mijn rijbewijs straalde, toen ik het presteerde een vijf en een half voor optica te halen, toen ik en plein publiek voor een zwemdiploma afging, toen de referee van een astronomisch tijdschrift eens mijn artikel weghoonde.
Een gewonnen toreneindspel remise geven!
Tegen het jubilerende Messemaker (de club bestond 150 jaar en speelde al in een bejaardentehuis) werd Manuel op een voor zijn doen schandelijk laag bord gezet. Hij verloor in 24 zetten.
Aangeslagen pakte ik m’n welbekende, geheel gerafelde en voor het schaken uitermate geschikte ruitjesjasje, voegde [teamleider] Hoorweg toe dat ik in de volgende wedstrijden nu wel twee keer wit wilde hebben -wat natuurlijk nergens op sloeg- en ging de open lucht in voor een kalmerende wandeling. Maar dat viel tegen. Een aantal langsrennende, per definitie irritante peuters begon me aan de kop te zeuren. "Meneer, meneer, wilt U tikkertje met ons spelen?". Haarfijn aangevoeld van die monsters.
Ik haastte me terug en zette mij op een bankje voor het speellokaal, alwaar een per ongeluk vrij rondlopend oudje mij ijzersterk mededeelde dat het mooi weer was om buiten te zitten. Ik knikte vriendelijk en keek schielijk een andere kant op. Door mijn hoofd flitste de niet helemaal onprettige gedachte dat zij ongetwijfeld spoedig onder de grond zou liggen. Twee sigaren joeg ik er in het volgende halfuur doorheen, als waren het ketters op de brandstapel.
L’histoire se répète. Acht jaar later in Hilligersberg.
Er werd gespeeld in een reumacentrum. Maar het was tegelijkertijd een bejaardenhuis. Multifunctioneel heet dat. Er waren lange gangen waar de oudjes rolstoelwedstrijden konden houden. Goed voor de moraal en goed voor het lichaam. Op het moment dat wij er kwamen waren alle rolstoelwedstrijden afgelast. Te gevaarlijk voor de schakers, zal de directie gedacht hebben.
Klokslag een begon de wedstrijd. Wat mij betreft Frans. De variant was me wel bekend.
Een uurtje en veertien zetten later kon ik opgeven. Een combinatie van oppervlakkigheid en een kortsluiting waar je een flatgebouw mee kunt platbranden was mij fataal geworden.
Ik greep mijn trui en colbert en zette het op een lopen, in het voorbijgaan enkele oudjes terzijde werpend. Gelukkig konden ze zich niet verweren: ze hadden reuma. Buiten zette ik het op een roken en liep naar het winkelcentrum. Patat! Maar in het winkelcentrum van deze sjieke wijk was helemaal geen patattent… In de broodjeszaak- the next best thing- kocht ik voldoende in voor een vreetfestijn. En terwijl ik op een bankje de puddingbroodjes naar binnen gooide dacht ik aan de schitterende Engelse doodstraf die aangeduid wordt als hanged-drawn-and-quartered. Tijdens deze strafoefening werd het slachtoffer naar de plaats van handeling gesleept (drawn). Daarna werd hij enige minuten opgehangen (hanged) maar levend neergelaten, waarna er hier en daar wat af- en opengesneden werd (quartered). Doorgaans gingen de testikels als eerste aan het mes. Ik dacht erover hoe het zou zijn om dit te moeten ondergaan en toevallige passanten zouden een vredige glimlach om mijn lippen hebben kunnen zien spelen. Zelfhaat was op dat moment verreweg mijn sterkste punt. ►
Vrouwen
Vrouwen en schaken? In het Jubileumnummer van 1992 bespreekt Manuel "Het clubleven" in "een diepgravende en cultuurhistorische beschouwing". Het stuk begint met een uiteenzetting over de wenselijkheid van drastische maatregelen tegen de toelating van jeugdigen tot de schaakavonden van de Heren Schakers en gaat aldus verder:
Dat geldt evenzeer van het nu te bespreken en waarlijk onthutsende feit dat ook exemplaren van het Genus Vrouw zich aan Het Schaakspel verslingeren. De bandeloosheid van zoiets moet duidelijk zijn. Weliswaar is inmiddels bewezen- ondanks eertijds sterke vermoedens van het tegendeel bij zulke kanonnen als de grote Donner- dat enkele exemplaren van het Genus Vrouw kunnen schaken, maar zulks doet in dezen eigenlijk niet terzake. Dat ook zij, van het Genus Vrouw, hun vaak zwakke krachten op dit wrede oorlogsspel uitproberen is het beste bewijs van de verregaande zedenverwildering in onze dagen!
Men begrijpe mij goed, ik ben niet conservatief. Verre van dat! Vrouwen die generaal willen worden, als strenge Meesteres met behulp van knots en kettingzaag een Huis van Plezier willen leiden, of als uitsmijtster aan het Leidseplein een fijnzinnige carriere denken op te bouwen, hebben allen mijn uitdrukkelijke zegen. Hier ziet Uw Dienaar geen probleem. Maar vrouwen die op een club schaken, zich als roofdieren wensen te ontpoppen die zich werpen op Koningen en hun Hofhouding, het kan niet Heren, het kan gewoonweg niet: het mist alle Stijl.
Vrouwen komen regelmatig terug in de schrijfsels van onze held. Niet zelden zijn zij in leer gekleed en hanteren zij de zweep. Maar Manuel is een liefhebber.
Het was aangenaam toeven in de toernooizaal. Bloedmooie dames uit Azerbeidjan paarden gevuldheid van hoofd aan gevuldheid van blouse, lange dames uit de Baltische republieken torenden in schaakkracht boven velen van ons, titellozen, uit.
Gids in verre landen
In 1993 deed een groepje Promotiespelers voor het eerst mee aan een buitenlands toernooi. Baden Baden, een illustere naam in de schaakgeschiedenis, en het was spannend, zo ver van huis. Manuel hield er een nare droom aan over.
