Een paar maanden geleden moest er op zolder iets aan een verwarmingbuis gebeuren. De reparateur kon echter alleen zijn werk doen als ik een boekenkast verplaatste. Kortom, alle boeken eruit en in stapeltjes op de grond en vervolgens de boekenkast van zijn plaats. Na de werkzaamheden volgde het proces in omgekeerde volgorde. Bij het weer inruimen van de boekenkast nam ik rustig de tijd en liet mijn volle aandacht naar de boeken uitgaan. Daarbij gleed mijn oog over een boek met de titel “Het land van Rembrand”, geschreven door Conrad Busken Huet. Ik vraag mij af bij hoeveel lezertjes de titel of de naam van de auteur een teken van herkenning oproept. Zonder twijfel bij velen die nog pre-Mammoetwet onderwijs hebben gehad (en eventueel genoten).
“Het land van Rembrand” is een monument van de negentiende-eeuwse vaderlandse literatuur. Helaas hebben literaire monumenten in Nederland de opvallende eigenschap dat ze na enige tijd niet meer gelezen worden. En inderdaad, ook ik had het kloeke boek wel eerder doorgebladerd, maar juist die omvang had ervoor gezorgd dat ik er nooit echt aan was begonnen.
Helaas gaat het bij de monumentale, klassieke schaakliteratuur net zo; die lijkt vrijwel geheel uit het gezichtsveld van de moderne schaker verdwenen. Ik wil het hebben over een zo’n monument.
Aan het begin van de twintigste eeuw schreef Hermann von Gottschall een boek over Adolf Anderssen (1818-1879), een vroege icoon van het Duitse schaak. Je hoeft het boekwerk maar een halve minuut door te bladeren om te zien dat hier iemand met grote toewijding het lijdend voorwerp van zijn bewondering heeft uitgeplozen en beschreven. Dit is een monument. De levensgeschiedenis van Anderssen wordt gevolgd met een mate van detail die nu overdreven aandoet. Maar juist dat geeft af en toe -zeker door de auteur onbedoeld- inkijkjes die prikkelend zijn. Veertien dicht bedrukte bladzijden gaan over het toernooi van Londen 1851, dat een prooi voor Anderssen zou worden. En daar is de bespreking van partijen niet bij inbegrepen. Het toernooi wordt gespeeld volgens het knock-out systeem, via “mini”matches moet telkens de volgende ronde worden gehaald. En dan komt het. In de tweede ronde ontmoet Anderssen de Hongaar Szen en nadat deze de eerste partij heeft verloren doet de gladjanus een listig en bedenkelijk voorstel. Gevolg? Szen verliest de match en Anderssen kan na afloop van het toernooi een derde deel van zijn eerste prijs bij Szen inleveren. De brave gymnasiumleraar uit Breslau was een tikje naïef geweest. Deze affaire kwam naar buiten door de “geheel belangeloze” eerlijkheid van Staunton (die tegen Anderssen als een varken afgeslacht was) en Anderssen voelde zich natuurlijk danig in verlegenheid gebracht. Von Gottschall gaat uitgebreid en vooral serieus op de zaak in en de moderne, door de wol geverfde lezer, kan slechts grinniken bij de ten toon gespreide verontwaardiging jegens… Staunton en bij zijn “verdediging” van Anderssen.
Na deze fikse inleiding worden vervolgens alle toernooipartijen van de Duitser uitvoerig behandeld plus alle buiten dit toernooi gespeelde. Bij de laatste zit, zoals bekend, ook de “Onsterfelijke”. Die partij was voor von Gottschall dan weer aanleiding om de lezer ook nog maar eens nader te informeren over Kieseritzky, Anderssens tegenstander in deze gruwelijke partij. Over zijn pogingen 3D-schaak te promoten bijvoorbeeld en over zijn begrafenis: als een hond in de grond! De kunst van het vrienden maken moet Kieseritzky vreemd zijn geweest.
Met eenzelfde grondigheid worden de matches met Morphy in 1858 en Steinitz in 1866 behandeld, maar ook alle minder belangrijke schaakgebeurtenissen in het leven van de Duitse meester.
Is Anderssen ooit in Nederland geweest? Jazeker, dat is hij. In juli 1861 werden in Amsterdam een aantal partijen gewisseld met Hollandse boertjes als Kloos, de Heer, van ’t Kruijs, Pinedo, en de Lelie. Helaas wordt er met geen woord gerept over de partijen die Anderssen in datzelfde jaar gespeeld heeft met Messemaker, wereldberoemd in schaakminnend Gouda. Dat is opvallend, want von Gottschall streeft in zijn onderneming onbarmhartig naar volledigheid. Wat heet: rijp en groen wordt door hem in het boek opgenomen en van commentaar voorzien. Bij een vroege partij van zijn held merkt hij dan op: “Man kann nicht behaupten, dass die Schachwelt viel verloren hätte, wenn die Partie nicht ausgegraben worden wäre. Sie ist vielleicht von historischem Interesse, sonst aber ziemlich wertlos…”. Dit geldt voor veel meer partijen, want het zijn niet alleen de Morphy’s en Steinitzen van die tijd met wie de Duitse meester de degens kruist. Hij heeft talloze partijen met vrienden gespeeld voor de gezelligheid, vermoedelijk met een potje bier naast zich. Ook die hebben hun plaats gekregen in het boek.
“Dus tóch geen monument, dat boek” hoor ik een onverlaat zachtjes murmelen. Te snel geoordeeld, vriend, te snel. Anderssen, misschien de laatste onbekommerde (?) schaakromanticus, was het waard dat er zo’n werk over hem werd geschreven. Naast veel “Unfug” heeft hij voor die tijd geweldige partijen afgeleverd. Als beginnende schaker heeft u er vast wel een paar van leren kennen. Het is vooral de tekst waarmee belangrijke gebeurtenissen worden ingeleid die dit boek juist dat geven wat een monument nodig heeft. Wie mekkert dat de analyses niet allemaal blijken te deugen als Fritz er eventjes overheen gaat heeft gelijk, maar ook daarmee is het boek een document van zijn tijd, een historisch document. Dat blijkt onbedoeld ook nog op een andere manier. Von Gottschall heeft het over een Engelse krant met de naam “Illustradet News”. Zetfout? Neen, de naam kom je op deze manier gespeld keer op keer tegen. Op het vasteland van Europa was de kennis van het Engels in die dagen beperkt.
Dit boek is een monument om af en toe in te bladeren en er gedoseerd stukjes uit te lezen bij de spreekwoordelijke haard. En tenslotte is het waarachtig wel leuk om er wat partijen met behulp van Fritz uit na te spelen. Schaak uit de tijd van de sierlijke stoomlocomotief!
