Die lieve loper op b7
Murray de Stoutmoedige door Manuel Nepveu
A History of Chess, uitgegeven in 1913 en geschreven door Harold James Ruthven Murray (1868-1955) is een van die boeken die niet snel bij het grof vuil eindigen of op de schappen van een tweede handsboekenzaak. Het dikke werk geldt nog steeds als hét standaardwerk op zijn gebied, bijna een eeuw na zijn verschijning. De eerste keer dat ik van het boek hoorde was ergens in de tachtiger jaren. In zijn bundel “In den eersten stoot pat” wijdt Hans Ree een hoofdstukje aan het meesterwerk en schrijft dat het een van de boeken is die hij naar zijn onbewoonde eiland zou meenemen. Hij sluit dat stukje af met een mooie zin: “A History of Chess is een geleerd boek voor allen”. Na kennisneming van het boek, kan ik dit alleen maar als een krasse beoordelingsfout beschouwen. Waarom ik dat vind en wat ikzelf over het kloeke standaardwerk van 900 bladzijden te melden heb, kunt U hieronder lezen.
In december was het weer zover: meedoen aan de “mini’s” van het jaarlijkse toernooi in Groningen. Toen ik op Tweede kerstdag vanaf mijn hotel in het uiterste Zuiden van Groningen naar de speelzaal in het uiterste Noorden was gelopen -in een manmoedige poging ook eens iets voor mijn gezondheid te doen – , meldde ik mij eerst bij de toernooileiding en ging vervolgens rondneuzen in het boekenstalletje van de altijd weer aanwezige Silvio. Temidden van de obligate openingsrotzooi lag daar Het Werk, een facsimile van het oorspronkelijke boek van Murray. De prijs viel me niet mee, maar mijn nieuwsgierigheid was eenvoudig te groot en het boek wisselde van eigenaar.
Het boek bestaat uit twee delen, het schaken in Azië en het schaken in Europa. Murray pakt het grondig aan: het schaken in India (deel I, deel II, deel III), het schaken in Maleisië, in China, in Korea, in Japan, in Perzië onder de Sassaniden, de Arabische en Perzische literatuur, het schaken onder de Islam, de uitvinding in de Moslimlegenden, &&&. Ook het schaken in Europa mag zich verheugen in eenzelfde grondige aandacht: het schaken in het Westerse christendom, het schaken in de Middeleeuwen, het middeleeuwse spel, het middeleeuwse probleem (deel I, deel II, deel III), het schaken in de Middeleeuwse literatuur, en uiteindelijk komen er nog vijf hoofdstukken over de ontwikkeling vanaf ongeveer 1500.
Zoals ik ooit eerder schreef moet je het voorwoord van een boek altijd lezen. Het geeft vaak informatie die je niet kunt of wilt missen. Murray beschrijft het drievoudige doel van het boek: beschrijven welke variëteiten van het schaakspel (hebben) bestaan, de oorsprong van het spel onderzoeken, de ontwikkeling in Europa volgen – en relateert aan eerdere boeken, te beginnen bij dat van ene Hyde, uit 1694. Ook onze landgenoot van der Linde wordt met welwillendheid genoemd en Murray heeft duidelijk gebruik gemaakt van zijn historische onderzoekingen.
De wil om zo volledig mogelijk te zijn spat bij Murray van het papier. De lezer die onschuldige ontspanning zoekt zal na een tijdje licht geprikkeld raken en regelmatig met een zucht bladzijden overslaan. Maar ja, een serieuze onderzoeker kan natuurlijk niet zonder dit neurotische trekje. Resultaat: ‘A History of Chess’ is een bijbel van feiten, een monument.
Murray heeft eigenlijk alles willen lezen wat hij te pakken kon krijgen. Daarbij duikt dan natuurlijk een moeilijkheid op. Laten wij Murray aan het woord: “….the very width of the distribution of chess and the many languages, in which the literature of the game is written, would have made my task an impossible one if I had not received the help of many scholars. Among these are my father, Sir James A.H.Murray, who has not only helped me with advice of the greatest value, but has introduced me to many scholars whom otherwise I should have scarcely ventured to approach …” Sir James was hoofdredacteur van de Oxford English Dictionary. Het lijkt mij wel duidelijk dat Murray senior een maatschappelijke standing had waardoor allerhande deuren zich enigszins soepel voor zijn zoon openden. Er volgt een lijst met namen van geleerden die de schrijver hielpen met Sanskriet, met een aantal talen uit India (Hindi, Bengali,…), met Burmees, Arabisch, Ijslands, met Joodse bronnen, met Maleise, met Russische en Tsjechische, met Perzische. Murray had zelf voor zijn onderzoekingen ook nog eens Arabisch geleerd en het blijkt uit zijn boek dat hij klaarblijkelijk met (Oud)Franse, (Middelhoog)Duitse, (Middel)Nederlandse, Italiaanse en Spaanse bronnen overweg kon. Latijn was vanzelfsprekend geen enkel probleem, natuurlijk niet. Murray was, kortom, een filoloog pur sang.
Hij zat in het juiste intellectuele milieu om althans enigszins te mogen hopen zijn taak te kunnen volbrengen. Maar toch… hoe vaak zal hij het bijltje erbij neer hebben willen gooien? De beschikbaarheid van bronnen voor studiedoeleinden was overduidelijk een probleem; sommige daarvan waren alleen beschikbaar in privé-bibliotheken, her en der over de wereld verspreid. En wie kan er zeker van zijn dat zeldzame en uiterst essentiële manuscripten “welwillend” ter beschikking worden gesteld aan iemand in het verre Engeland? Het reizen, het wachten op poststukken, opdoemende moeilijkheden bij het vertalen, waardoor hij veel verschillende individuen moest benaderen die vermoedelijk wel andere dingen aan hun hoofd hadden, het zijn even zovele bronnen van vertraging en frustratie en …potentiële mislukking van het hele project. Murray moet dit hebben beseft voordat hij aan zijn grote, zelfopgelegde taak begon. Daarom heb ik het over Murray de Stoutmoedige!
In het voorwoord bedankt de schrijver degenen die hem in technische zin hebben bijgestaan, maar er wordt verder niemand bedankt voor het lezen van voorlopige versies, corrigeren van drukproeven, &. Het boek is ook niet opgedragen aan een speciale persoon. Wie ooit ook maar een simpel proefschriftje heeft geschreven, weet dat huisgenoten zelfs daaronder bij tijd en wijlen al te lijden hebben en dat is vast en zeker niets vergeleken bij dit mammoetproject! Daarom zou je dus een liefdevolle opdracht verwachten. Maar neen.
Men kan zich dus afvragen of uit het ontbreken van zo’n opdracht iets geconcludeerd moet worden. Heeft Murray als de spreekwoordelijke kamergeleerde de hele wereld om zich heen kunnen vergeten? Had hij überhaupt een normaal (gezins)leven? Was hij de literaire variant van wat tegenwoordig een “nerd” wordt genoemd?
Bij de beschrijving van allerhande bordspelen die al of niet met het schaakspel te maken hadden, spelen formele kenmerken in het boek een hoofdrol: de vorm en uitvoering van het bord, de vorm van de stukken en hun namen. Alles wordt precies beschreven. Er staan veel plaatjes (foto’s en tekeningen) van schaakfiguren en schaakborden in het boek en hele lijsten met varianten van namen van de stukken. En dan bevat het boek ook nog eens de complete (en dus oervervelende!) beschrijving van collecties van schaakproblemen uit de Aziatische wereld met hun oplossingen (en met opmerkingen van mogelijke fouten in de oplossingen van de oorspronkelijke auteurs!). Ook de literatuur waarin het schaakspel als ingrediënt voorkomt, wordt bestudeerd. Het kan niet anders, of de schrijver heeft vele uren doorgebracht met het lezen van middeleeuwse bellettrie, geschreven in het Oud-Frans, dito Engels en Duits. In het boek worden lange excerpten aan de lezer aangeboden. Daarbij valt dan wel op dat de vertaling doorgaans achterwege blijft…Murray schreef klaarblijkelijk voor een redelijk select gezelschap of was een verschrikkelijke snob. Alles gebeurt met een fanatieke grondigheid en een volledigheid die bijna het boosaardige vermoeden triggeren dat Moeder Murray met een Duitser is vreemdgegaan….
Ik kan me indenken dat het materiaal in het boek genoeg zou zijn geweest voor een proefschriftje of vijf á tien. Maar de Stoutmoedige heeft dit monument van geleerdheid geschreven in (na) ongeveer vijftien jaar van studie en in zijn eentje. Met de noodzakelijke hulp van anderen weliswaar, maar toch… Het is wel duidelijk dat het boek een klassieker zal blijven voor de eerstkomende eeuwen.
Nadat Murray een hoofdstuk heeft gewijd aan de vorm van schaakborden en schaakfiguren met foto’s en tekeningen (door hemzelf vervaardigd ?) begint hij op pagina 776 aan “The beginnings of modern chess”, dat wil zeggen aan de periode vlak voor 1500, wanneer het schaakspel in Europa enkele drastische wijzigingen ondergaat. Hij heeft dan nog maar een dikke honderd bladzijden te gaan…De bekende manuscripten worden op Murray’s inmiddels bekende wijze uitputtend behandeld.
Uiteindelijk komen we in bekend vaarwater en prompt gebeuren er dan enkele opmerkelijke dingen. In mijn column op het Internet heb ik al beschreven dat ik zeer verbaasd was door een opmerking van Murray dat de wiskundige Abraham de Moivre een karig bestaan had uit opbrengsten met schaken in Slaughter’s Coffee House. Enig onderzoek maakte mij al snel duidelijk dat de bezigheden van de Moivre van gans andere aard waren, ook al vonden die inderdaad in het genoemde koffiehuis plaats. Wat mij direct opviel is, dat Murray het sterfjaar van de wiskundige foutief vermeldt. De typische alfa Harold Murray, die anderhalve bladzijde uitweidt over de Perzische achtergrond van het Engelse woord “rook”, is hier plotseling niet op zijn hoede. Heel misschien ook is deze slordigheid een onbewuste uiting van minachting voor de exacte wetenschappen en dito wetenschappers die niet ongebruikelijk schijnt te zijn (geweest?) in culturele kringen in Engeland.1 De laatste halve bladzijde van het laatste hoofdstuk heb ik echt met open mond gelezen. De schrijver beklaagt zich daarin over de stijl van de “Moderne School” van Steinitz, die hij maar saai en zonder verbeeldingskracht vindt. Het is het moment waarop Murray zichzelf als schaker heel lelijk te kijk zet. In the Oxford Companion to Chess, uitgave 1992, is er een lemma over Murray. Zie wat de samenstellers van deze encyclopedie daar schrijven:
“…In the last two chapters, which trace the game’s development from Philidor to the 20th century, he was somewhat handicapped, lacking an understanding of chess strategy…”
Hoezo understatement?
A History of Chess is niet een boek dat je in een ruk uitleest en het feit dat ik er hier over schrijf betekent dan ook niet dat ik het van A tot Z heb doorgeworsteld. Sterker, het is uiterst onwaarschijnlijk dat ik het werk ooit echt van kaft tot kaft gelezen zal hebben. De lezer zal inmiddels ook wel hebben begrepen waarom ik het niet onbekommerd eens kan zijn met Ree’s laatste zin uit zijn eerdergenoemde stukje. Het is een boek dat je af en toe ter hand neemt, om te bladeren, hier en daar wat te lezen en te genieten. Om Hans Ree te parafraseren, als ik tien boeken mee zou mogen nemen naar een onbewoond eiland zou het een kans maken om meegenomen te worden. Na overdag in de brandende zon een hut gebouwd, een boomstam uitgehold en een rieten rokje vervaardigd te hebben, zou het boek zeker ontspannende waarde hebben. Maar ik hoop waarachtig niet dat het echt zover komt.
Ik heb dit ergens gelezen, maar ik kan me de bron helaas niet meer herinneren.
