Russische geheimen(1)

Russische Geheimen

 

Russische Geheimen. door Manuel Nepveu

In de zeventiger jaren en daarvoor was er in Bussum een bijzonder goede boekhandel. Het personeel was terzake kundig en behulpzaam en het assortiment was meer dan behoorlijk, gegeven dat Bussum nou niet echt een wereldstad is. Ik vertoefde er graag, een ziekte die ik van mijn familieleden zal hebben overgenomen.

Bij een van mijn bezoekjes zag ik er een Russisch leerboek liggen, geschreven door een zekere Chr. Timmer en uitgegeven door Stam, een uitgeverij van vooral technische boeken. Het was het soort leerboek dat anno nu door didactici onmiddellijk naar de prullenmand wordt verwezen, omdat er geen plaatjes instaan en omdat de hoeveelheid informatie per pagina bijzonder hoog is. Een goed boek dus. Ik bedacht me derhalve nauwelijks en kocht het. Het leek me wel wat om Russisch te leren.

Maar de beslommeringen van alledag namen mijn tijd en aandacht stevig in beslag en meer dan twintig jaar lang werd het boek niet ingekeken. Het kwam in een doos terecht en speelde de rol van de Schone Slaapster. Ondertussen verhuisde ik achtereenvolgens naar Groningen, naar Bonn en naar Zoetermeer. Bij een laatste verhuizing binnen Zoetermeer kwam het uiteindelijk weer in de boekenkast. En daar werd het op zekere dag uit zijn slaap gewekt. Ik nam het boek, keek erin en herinnerde mij hoe ik er aan was gekomen.

Nu twee jaar geleden, in de herfst, besloot ik dat de tijd was gekomen om de plannen van twintig jaar geleden ten uitvoer te brengen.

Het kan geen kwaad om je doelen aanvankelijk hoog te kiezen. Dat deed ik dus ook. Ik wilde leren spreken en lezen. Na vele maanden een fiks aantal uren per dag met het Russisch bezig te zijn geweest, kwam ik er wel achter dat het leren spreken bij gebrek aan dagelijkse oefening een illusie was en het lezen van de Russische Klassieken vooralsnog een weinig te hoog gegrepen. Maar schaakboeken lezen in het Russisch, dát moest toch mogelijk zijn.

In mei van dit jaar bezocht ik onze Tsjechische correspondent Broekman in Praag, samen met Eggink en Noordhoek. Ik wilde meteen van de gelegenheid gebruik maken wat Russische schaakboeken op de kop tikken. De gemengde gevoelens van de Tsjechen met betrekking tot Rusland kennende moest ik natuurlijk maar afwachten of dat ging lukken. Maar zowaar: in een redelijk ogende boekenzaak was er een niet onaanzienlijk assortiment. Ik kocht een schaakencyclopedie en een niet al te dik boek van de hand van Tal ("Talj") en de hier te lande volstrekt onbekende Damski.

Mijn bezit aan Russische schaakboeken werd twee maanden later nog eens met een kloeke vijftig procent vergroot, en wel in Dresden. De man die in mijn ontboezemingen over het aldaar gehouden toernooi op sandalen ten tonele werd gevoerd, was niemand minder dan de Russische grootmeester Suetin. Hij verkocht op het toernooi zijn eigen boeken, ongetwijfeld als zeer welkome aanvulling op zijn anderszins karige inkomsten.

Ik kocht zijn in het Russisch geschreven "De stadia tot het schaakmeesterschap" en de grootmeester signeerde het werkje waarbij hij de woorden "sehr sympatisch" gebruikte in samenhang met mijn naam. Ik heb dat maar zo gelaten.

Studie van de Russische taal doet je realiseren dat de werkelijkheid taalkundig op geheel verschillende manieren "in beeld" wordt gebracht door talen die ver van het Nederlands af staan.

Het Russisch kent bijvoorbeeld geen lidwoorden. Dat blijkt absoluut geen gemis. Daar waar het Nederlandse zelfstandige naamwoord bijna steeds door een lidwoord moet worden voorafgegaan, verdoet de Rus zijn energie daar niet mee. Indien nodig gebruikt hij het aanwijzend voornaamwoord. Simpel.

De grammaticale betekenis van een woord in het Nederlands wordt bepaald door zijn plaats binnen de zin. In het Russisch daarentegen wordt die betekenis vastgelegd met behulp van uitgangen.

Het concept van manlijke, vrouwelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden is (ook) in het Russisch bekend. Gelukkig kun je in bijna alle gevallen aan het woord zien in welke categorie het hoort. Maar in combinatie met het voorgaande moet je je suf te leren aan rijtjes uitgangen. Voor zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, voor aanwijzende, vragende, bezittelijke, betrekkelijke, bepalende en persoonlijke voornaamwoorden en voor een aantal telwoorden. Dit maakt Russisch spreken voor ons een kleine ramp.

De werkwoorden komen voor in paren. Je bent absoluut niet vrij in je keuze, want het ene werkwoord benadrukt de handeling zelf, zijn duur, zijn regelmatige herhaling en het andere geeft een (eenmalige) verandering aan en is gericht op een doel. Om hiermee soepel om te kunnen gaan is eveneens fikse oefening noodzakelijk. Ook de vervoeging is trouwens niet echt een sinecure.

Een laatste moeilijkheid waar ik met mijn neusje op werd gedrukt is dat Russen woorden gebruiken die nergens op lijken. Waar je met kennis van het Latijn nog wel eens in staat bent te gokken wat een Frans of Engels woord betekent, of zelfs omgekeerd hoe die woorden zouden kunnen luiden, heb je voor het Russisch zo’n fijne kapstok in het algemeen niet. Je moet gewoon leren dat een loper een "slon" (olifant) is en een paard een "konj". De dame is een "fjerzj" (Frans vièrge?) en grammaticaal is dit woord manlijk. Vooral dat laatste is knots, maar alles went. Alleen waar het gaat om woorden uit de nautische wereld is er geen probleem. Boffen wij even dat Peter de Grote in Zaandam de scheepsbouw kwam bestuderen!

Wat het Cyrillische schrift betreft, dat is niet moeilijk: na een paar uurtjes kun je dát in elk geval dromen.

In dit stukje wil ik het voornamelijk hebben over het boek van Suetin. Deze schrijver is bepaald geen onbekende onder de "lezende" clubspelers. Veel van zijn geschriften zijn vertaald in het Duits, het Engels of het Nederlands ("Hoe men de opening moet spelen", "Het laboratorium van de schaker", "Schachlehrbuch für Fortgeschrittene", monografieën over de Grünfeld en het Frans). Suetin was trainer van Petrosjan in de tijd dat die voor het hoogste ging. Hij was geen absolute topper, maar nog altijd sterk genoeg om tien maal in de loodzware kampioenschappen van de Sovjet-Unie te mogen acteren in de jaren vijftig en zestig. Hij werd vrij laat, halverwege de zestiger jaren, grootmeester.

In de encyclopedie die ik in Praag kocht (en die kennelijk is uitgegeven in 1963) wordt als eerste vermeld dat Suetin werktuigbouwkundig ingenieur is. Vervolgens komen zijn sportieve successen aan de orde. Tenslotte wordt Suetin in deze encyclopedie al als een vooraanstaand theoreticus genoemd, die verscheidene boeken en opstellen op zijn naam had staan op het gebied van openingen en middenspel..

Suetin heeft duidelijk een wetenschappelijke inslag. Hij behandelt in zijn boeken als trainer en "methodicus" wel steeds dezelfde thema’s, maar volgt deze ook in hun ontwikkeling. Hij vervalt dus niet in herhaling in zijn opvolgende boeken. In het Duitse boek dat ik boven noemde (uit de tachtiger jaren) legt hij bijvoorbeeld uit dat spelers risico’s moeten nemen en in het boek dat ik in Dresden kocht (uitgegeven in1998) borduurt hij voort op dit thema en bespreekt dan wat de consequenties zijn van de relatief recente opkomst van de vele open toernooien, van het strakkere tijdschema en van het verdwijnen van de afgebroken partijen.

In dit laatste boek geeft Suetin af en toe ook lucht aan meer persoonlijke meningen of komt het zelfs tot regelrechte ontboezemingen, die ik in zijn vorige boeken niet heb aangetroffen. Dat zijn de pareltjes.

Zo blijkt dat het spelen van open toernooien niet zondermeer een summum van genot is voor deze veteraan. In het hoofdstuk over "Sportieve Verplichtingen" komt hij tot de volgende woorden: "Absoluut het zwaarst in fysiek opzicht is het spelen in open toernooien, waaraan honderden deelnemers meedoen. Hier is niet voldoende comfort (het spreekwoord ‘hoe meer zielen, hoe meer vreugd’ is duidelijk niet van toepassing). Je moet het eindeloze geloop dulden, het getuur op je notatiebiljet, het rumoer, enz. Ja, hier heb je een verhoogd uithoudingsvermogen nodig. Maar zorg ervoor niet in grote tijdnood te komen! Het is nuttig tenminste een beetje frisse lucht in te ademen, al is het vrieslucht."

Ook even slikken is de volgende ontboezeming, iets verderop: "….Het merendeel van dergelijke toernooien heeft een gemengde bezetting. Je kunt er zowel de sterkste grootmeesters ontmoeten, als ook onervaren spelers waarvan de rating zelfs onder de 2200 ligt. ….".

Zeer opmerkelijk -althans voor mij- was iets dat de grootmeester haast terloops meedeelt wanneer hij schrijft over "psychologische stabiliteit" aan het schaakbord. Hij heeft het dan onder meer over de eerste match tussen de beide K’s en zegt met betrekking tot de standvastigheid van Kasparov: " ….met een 0-5 achterstand bevond hij zich in de loop van bijna twee maanden letterlijk onder het Zwaard van Damocles, maar hij bleef zo standvastig, dat zijn opponent het initiatief nam om de match te stoppen (cursief MN)…..". Ik had altijd de indruk dat het niet duidelijk was van wie het initiatief om de match te stoppen uitging, maar Suetin noemt hier indirect een naam.

Een absolute klapper vond ik het volgende, dat in hetzelfde hoofdstuk voorkomt. Twintig jaar geleden zou Suetin het vast niet opgeschreven hebben, maar de tijden zijn veranderd. Al was het maar omdat beide hoofdrolspelers niet meer onder ons wijlen.

Het gaat om een glanspartij die Tal speelde in het vierentwintigste Kampioenschap van de Sovjet-Unie, 1957. Er was iets aan de hand……maar laten we luisteren naar wat Suetin op te merken heeft:

" Iets over de achtergrond van deze partij, die gespeeld werd in de laatste ronde. De beide tegenstanders gingen deze ronde in met een gelijk aantal punten en bevonden zich in een leidend groepje samen met Bronstein en Keres. (Toen was Tal nog meester.)

Enkele uren voor de partij klopte de trainer van Tal op de deur van de hotelkamer waar Tolusj logeerde en met van de zenuwen trillende stem stelde hij een remise voor (zoiets gebeurde en gebeurt onder professionals ….) Te gast bij Tolusj werd ik onvrijwillig getuige hoe Tolusj, tot mijn verbazing, de remise-afspraak afwees. Blijkbaar oordeelde hij dat de zenuwen van zijn tegenstander het begeven hadden. Maar kennelijk verwarde hij Tal met zijn trainer. Zodat in wezen Tal hier gedwongen werd deze partij te winnen."

In het andere boek, van Tal en zijn maatje Damski, komt een positie uit deze zelfde partij aan de orde. Voordat die schaaktechnisch wordt behandeld, babbelen Damski en Tal wat over de partij, een formule die in het hele boek wordt gehanteerd (en die mij sterk deed denken aan het komische duo Euwe en Mühring ten tijde van de tweekamp tussen Spasski en Fischer). En dan blijkt plotseling hoe belangrijk deze partij voor Tal moet zijn geweest. Damski, de ‘aangever’, zegt hierover: "Iedere schaker heeft een ‘partij van zijn leven’ waarvan het winnen hem als het ware op een ander vlak heeft gebracht.

Jij werd voor de eerste keer landskampioen en in een moeite door grootmeester, nadat je in de laatste ronde in Moskou in 1957 had gewonnen van de zeer ervaren grootmeester Tolusj…" Het is een rare gedachte dat deze partij nooit zo’n knaller was geweest als Tolusj zich inschikkelijk had betoond……

Tal – Tolusj, Moskou 1957.

KoningsIndisch

1 d4, Pf6 2 c4, g6 3 Pc3, Lg7 4 e4, d6 5 f3, e5 6 Pge2, Pbd7 7 Lg5, c6 8 Dd2, 0-0

9 d5, c5(?) 10 g4, a6 11 Pg3, Te8 12 h4, Da5 13 Lh6 Pf8 14 h5, Dc7 15 Ld3, b5

16 0-0-0!, bc4x 17 Lb1!, Lh8 18 Tdg1, Tab8 19 Pf5! (" Ik denk, dat Tolusj hier niet alleen spijt had van zijn afwijzing, maar ook van de door hem gekozen strategie. Het vuur, door hem uitgelokt, vaagt alle verdedigingsbastions weg."), P6d7 20 Lg5, Lg7 21 Pg7x,

Kg7x 22 Lh6+, Kg8 23 f4, ef4x 24 Df4x, Dd8! 25 hg6x, Pg6x 26 Dh2, Pde5

27 Lf4, Pf8 28 Dh6, P5g6 29 Lg5, f6 30 e5!, Te5x 31 Lg6x, Tb7 32 Pe4!, fg6x

33 Tf1, Te4x 34 Le4x, Tg7 35 Tf6, Lg4x 36 Thf1, Pd7 37 Td6x, De7 38 Ta6x, Kh8

39 Lh7x, Pb8 40 Lf5+,Kg8 41 Le6+, Le6x 42 Te6x (1-0).

MN

 

Scroll naar boven