Russische Geheimen
Russische Geheimen (II) door Manuel Nepveu
In de vorige editie van het clubblad schreef ik over het boek dat ik in Dresden tijdens het aldaar gehouden toernooi gekocht had van Suetin, de schrijver ervan. Ik "verklapte" een paar dingen die me bij lezing tot dan toe waren opgevallen en daar wil ik nu mee verder gaan.
Het boek had als titel: "De stadia tot schaakmeesterschap" en het is als leerboek bedoeld voor hen die werkelijk beroepsschaker willen worden. Inderdaad, ik had het boek eigenlijk niet moeten kopen, want het is kennelijk niet echt voor mij bedoeld. Immers, de eerste zin van het voorwoord luidt: " Dit boek is vooral bedoeld voor schakers van een hoog niveau (van eerste klasse tot meester), waar natuurlijk vooral jonge enthousiaste schakers voorop lopen, die ervan dromen het grootmeesterschap te bereiken."
Inderdaad, ik ben dubbel en dwars niet een der genen voor wie Suetin dit boek heeft geschreven. Bij lezing van het boek bleek mij dat Suetin werkelijk meent wat hij in deze eerste zin zegt en dat die eerste zin dus geen holle frase is.
Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel behandelt hij de problemen aangaande het spelen zelf, zoals de belangrijkste factoren in het denkproces, intuïtie en risico, het spel in de opening, sportieve verplichtingen e.d. In het tweede deel behandelt hij de dagelijkse voorbereiding, met onderwerpen als de vervolmaking van jezelf, het opbouwen en bijhouden van een openingsrepertoire, de voorbereiding op een wedstrijd en nog meer van dit genre. In dit tweede deel schrijft hij nadrukkelijk met al zijn ervaring als schaaktrainer. Dit doet hij op een aangename manier, dat wil zeggen: hij plaatst zichzelf nergens op de voorgrond. Hij is als de gids in een museum, die duidelijk weet waar hij over praat, maar die de schilderijen centraal stelt en zelf niet hinderlijk in beeld is.
In het derde deel van het boek beschrijft hij de geschiedenis van de ontwikkeling van het schaakmeesterschap en het is dit deel dat mij het meeste verraste. Suetin heeft dit deel heel duidelijk geschreven met op zijn netvlies een lezerspubliek dat professional wil worden, schaakprofessional.
In het Nederlandse taalgebied is "Veldheerschap op de vierenzestig" van Euwe misschien niet het enige, maar wel het bekendste boek over de geschiedenis van het schaakspel.
Het is een mooi boek en het is ook echt voor iedere schaker geschreven, welke sterkte hij ook hebben mag. In tweehonderd bladzijden neemt Euwe je mee vanaf een oude analyse van El Greco uit het begin van de zeventiende eeuw tot aan de vertegenwoordigers van de Russische school (het boek verscheen in 1966). Het is een "compleet" boek: de twee of drie beroemdste partijen van Andersen staan er evenzeer in als de meest bekende van Morphy en Steinitz. Het boek geeft een goed doorlopend, enigszins glad verhaal.
Maar wat hebben deze ontboezemingen met Suetins boek te maken? Welnu, de geschiedenis ziet er door de bril van Suetin enigszins anders uit. In zijn inleiding tot dit deel van het boek schrijft hij: ” De zin van het onderhavige werkje bestaat daarin na te gaan hoe het meesterschap in het schaken tot stand kwam. Hierbij moeten we, naar mijn mening, twee fundamentele factoren onderscheiden die daartoe hebben bijgedragen. De eerste noodzakelijke voorwaarde is het bereiken van een voldoende hoog sportief niveau, het beheersen van de kunst der spelvoering en van het analyseren. Zonder dit kun je je geen schaakmeesterschap voorstellen.
De andere factor is de aanwezigheid van een bepaalde materiële status, maar ook een zekere maatschappelijke erkenning van het schaken. Zonder financiële ondersteuning van het schaken, zij het van staatswege, zij het via privé-middelen kan het schaken nauwelijks een professioneel niveau van bestudering bereiken…".
De bovenstaande opvatting zorgt er voor dat Suetin behoorlijk anders omgaat met zijn accenten dan Euwe in diens bovengenoemde boek. De mannen van de zestiende eeuw worden kort genoemd, het is een kwestie van enkele zinnen. De Amerikaan Morphy, die bij Euwe ruim aandacht krijgt, wordt vereerd met een enkele zin en ook Andersen, door Euwe in zijn boek bepaald niet vergeten, komt bij onze Russische grootmeester niet veel verder.
De "echte" wetenschappelijke bestudering van het schaken krijgt vorm ergens in de tachtiger jaren en pas daar begint Suetin serieus met zijn geschiedschrijving. Niet toevallig is dat ook de tijd dat er met grote regelmaat toernooien en tweekampen worden verspeeld tussen de sterken der aarde. En dus kan ook de maatschappelijke waardering voor het schaken nader worden onderzocht door te kijken naar de financiële vergoedingen die bij deze evenementen werden gegeven. Suetin vertelt meestentijds bij de door hem aangehaalde gebeurtenissen wat er te verdienen viel. Als hij de toernooien van Londen 1883 en Hastings 1895 de revue heeft laten passeren schrijft hij vervolgens: " En hoe zag de financiële kant van de wedstrijden van die jaren er uit? Laat ik meteen opmerken dat het fondsen constant omhoog gingen. Zo was het algemene budget in het toernooi van Londen van 1883 1974 pond en voor de prijzen was er 1005 pond ( er waren zeven prijzen: 300, 175, 150, 100 pond, enz.). A propos, er waren ook speciale prijzen: voor de beste partij 5 pond, het beste resultaat tegen prijswinnaars 25 pond.
Bescheidener, merkwaardig genoeg, waren de prijzen in Hastings 1895. Er waren er zeven: eerste prijs 150, tweede 115, derde 85, vierde zestig pond, enz…."
Vervolgens geeft Suetin een overzicht van de gespeelde openingen en hoe dat in de loop van de decennia verandert.
In "Veldheerschap op de vierenzestig" beschrijft Euwe in het vijfde hoofdstuk de leer van Steinitz. Zo’n zestien bladzijden worden daaraan besteed (het hele boek telt er iets meer dan tweehonderd) en het is een meesterstukje van didactiek. Suetin daarentegen vertelt over de leer van Steinitz niets concreets. Ook verder in de geschiedenis beschrijft Suetin de ontwikkeling van het schaken (en van de bestudering van het schaken!) in abstractere termen dan Euwe.
Alles bijeengenomen is het duidelijk dat de Rus in dit boek een duidelijk ander lezerspubliek voor ogen heeft dan onze Euwe in het zijne.
Er is nog een ander aspect dat dit boek voor ons spannend maakt. Hoe beschrijft een representant van de Russische school Euwe nu eigenlijk? Wat wij hier te lande van Euwe vinden is bepaald door zijn biografie en door schakers als Donner, die Euwe zo hoog hadden zitten dat er wel nauwelijks ruimte is voor wetenschappelijke "distantie".
Het boek geeft hier enkele leuke "kiekjes". Om te beginnen haalt Suetin Aljechin aan, die na de match van 1937, die hij zo duidelijk in zijn voordeel had beslist, schreef: " Het schaaktalent Euwe is zuiver tactisch, in tegenstelling tot zulke meesters als Steinitz, Rubinstein, Capablanca en Nimzowitsj. Maar deze tacticus heeft besloten tot elke prijs een goed strateeg te worden. Dankzij hard werken aan zichzelf heeft Euwe een aantal successen behaald…". En even later gaat Aljechin verder: "…In alle partijen van Euwe zien we een en hetzelfde beeld. Een door hem uitgedacht plan steunt op de uiterlijke vorm (mijn cursivering, MN) van de omstandigheden. Bijvoorbeeld, op een pionnenoverwicht op de damevleugel, op een geïsoleerde pion bij de tegenstander, op het voordeel van het loperpaar, en dergelijke. In het algemeen gesproken is een zodanige methode goed, maar afhankelijk van de tactische mogelijkheden van deze of gene positie kan men ook uitzonderingen ontmoeten, en die komen vaak voor. Euwe presenteert zich als strateeg volledig anders dan Reti. Die zei in zijn bekende boek "Nieuwe Ideeën" dat hem slechts de uitzonderingen interesseren. Euwe daarentegen gelooft waarschijnlijk te zeer in de onveranderlijkheid van de regels."
Het komt erop neer dat Euwe zich sterk richtte op de algemene wetmatigheden en zich onvoldoende rekenschap gaf van de dynamische mogelijkheden in de stelling.
Suetin geeft dan de volgende partij, die in Euwe’s biografie overigens, en begrijpelijkerwijs, niet wordt besproken.
Aljechin-Euwe, achtste matchpartij 1937
1 d4, Pf6 2 c4, e6 3 Pc3, Lb4 4 Dc2, d5 5 cd5x, Dd5x 6 e3, c5 7 a3, Lc3x+ 8 bc3x, Pbd7
9 f3!?, cd4x 10 cd4x, Pb6 11 Pe2, Ld7 12 Pf4, Dd6 13 Ld2, Tac8 14 Db2, Pfd5 15 Pd5x, ed5x 16 Lb4, De6 17 Kf2, Pa4? 18 Dd2, b6 en hier zegt Suetin kort maar krachtig: "Logisch maar onjuist. Euwe heeft de dynamische twintigste zet van zijn tegenstander gemist" 19 La6, Tb8 20 e4!, b5 " Zich van geen gevaar bewust houdt Zwart zich bezig met het vangen van de loper op a6". 21 Df4, Tb6 22 ed5x, Dd5x 23 The1+,Le6 24 Tac1, f6 25 Tc7, Kd8 26 Ta7x en Zwart gaf op.
Suetin merkt verder op dat Aljechin in de match van 1935 tienduizend gulden kreeg en Euwe …helemaal niets.
In een paragraaf van hetzelfde hoofdstuk waarin al het voorgaande over Euwe te vinden is wordt aandacht besteed aan de vernieuwingen die onze landgenoot in de schaakwereld introduceerde. Hij had een kartoteek bij zich als hij naar toernooien reisde -de Russische grootmeester heeft het over het "beruchte variantenkoffertje"- en hij was klaarblijkelijk de eerste die met secondanten werkte. (Suetin noemt in dit verband alleen de namen van Flohr en Fine, maar ook de Weense schaakmeester Hans Kmoch had de functie van helper.)
Dit is allemaal leuk en wel, maar wat mij nou echt interesseert komt naar voren in het volgende citaat: "….Moge de bewonderaars van Euwe het mij vergeven, maar ik denk bij alle achting voor zulk een sterke schaker en schitterend methodicus, dat zijn korte heerschappij een geschenk van het fortuin was, waarschijnlijk, een beloning voor zijn vlijt en zijn efficiënte gebruikmaken van extra hulpmiddelen….". Dit zijn niet helemaal dezelfde geluiden die je bijvoorbeeld van de kant van Bouwmeester hoort in zijn serie leerboekjes uit de zestiger jaren.
En ofschoon ik niet een tiepje ben dat erg gauw zijn mond houdt, geef ik er de voorkeur aan al het bovenstaande voor zichzelf te laten spreken.
In een van de laatste hoofdstukken dat handelt over " Ellende en vreugden van Caissa’s priesters" staan enkele dingen die misschien ook voor Telegraaflezers interessant zijn. Zo is er een paragraaf getiteld "Hoe ongewoon zijn schakers?". Suetin vertelt in dit deel onder andere dat er tijdens het grote toernooi in Moskou 1925 serieus onderzoek naar werd gedaan door een groepje Sovjetgeleerden en dat de teleurstellende conclusie was dat schakers ….. heel gewone mensen waren. Het zij zo.
Over Andersen en Morphy maakt hij en passant een opmerking waarvan het waarheidsgehalte niet eenvoudig vast te stellen is: " In tegenstelling tot de levenslustige Andersen had Morphy geen seksuele ervaring …..". Hoe zou Suetin dat weten? Als ik moest gokken zou ik op grond van wat ik over deze beide schakers heb gelezen geneigd zijn precies het omgekeerde te veronderstellen, met de aantekening dat Morphy wellicht niet helemaal op vrouwen viel. (Men leze de artikelen over Morphy en de journalist Edge in "The Oxford companion to chess" van Hooper en Whyld en men houde daarbij scherp in de gaten dat Engelse auteurs nog wel eens terughoudend dan wel subtiel dan wel discreet willen zijn.)
Dit hoofdstuk is, ondanks de hierboven aangehaalde frivoliteiten, met een serieuze bedoeling geschreven. Aardig is bijvoorbeeld ook wat de Russische grootmeester schrijft over de combinatie van schaken en studie. Hij geeft toe dat de schakers van nu een lang actief schaakleven kunnen hebben en begrijpt dat bij jongeren die voor een schaakcarrière gaan de vraag opkomt of je nou wel zo nodig op universitaire diploma’s moet gaan jagen, maar vraagt zich toch af of zij gelijk hebben. Hij is van een andere generatie, waarin er geen sprake van kon zijn om schaken als beroep te kiezen (Suetin is ingenieur, zoals in het eerste deel meegedeeld). Daarom is het niet zo raar dat hij zich afvraagt of de hedendaagse grootmeester geen beperkte primitieveling wordt. Het aardige is dat hij in dit gedeelte van het boek een discussie met zichzelf lijkt aan te gaan, zo in de trant van: je kunt dan wel niet meer met ze discussiëren over Dostojevski of Schopenhauer, maar ze scherpen hun analytische vermogens wel door het schaken. Bovendien zien ze nog eens wat van de wereld, ontmoeten ze mensen van andere disciplines…. Kop op, het valt allemaal wel mee. Toch lijkt Suetin de ontwikkeling van de alleen-maar-schaker niet van ganser harte te accepteren, althans dat is mijn interpretatie.
Ik schreef in het eerste deel dat veel boeken van Suetin vertaald zijn in een aantal voor ons toegankelijkere talen. Laten we hopen dat ook dit boek zal worden vertaald. Zo ja, dan weet U wat U te doen staat.
MN
