Samenvatting
Schaken in stijl
De ontwikkeling van schaakstijlen
als een proces van
sportificatie
Proefschrift
ter verkrijging van
de graad van Doctor aan de Universiteit Leiden,
op gezag van de Rector Magnificus Dr. D.D. Breimer,
hoogleraar in de faculteit der Wiskunde en
Natuurwetenschappen en die der Geneeskunde,
volgens besluit van het College voor Promoties
te verdedigen op donderdag 28 februari 2002
klokke 16.15 uur
door
Ruurd Kunnen
geboren te Steenwijk
in 1949
Samenvatting
Als de schaakwereld in het midden van de 19e eeuw wordt vergeleken met die aan het eind van de 20e eeuw, dan wordt duidelijk dat een diepgaand veranderingsproces heeft plaatsgevonden. Schaken was in de eerste helft van de 19e eeuw een bezigheid voor heren uit de gegoede burgerij. Het werd gespeeld in koffiehuizen en salons, en soms in besloten clubs met eigen regels en bestuur. Voor de meeste liefhebbers was schaken een spel en een tijdverdrijf. Het was een ernstig spel, want er werd om geld, one shilling, gespeeld en sommige spelers voorzagen met schaken in hun levensonderhoud. Het was ook een bijzonder spel, want het was geen hazardspel, waarbij het toeval een rol speelde. De Engelse schakers noemden schaken vaak een art, en in Duitsland kregen sterke spelers de titel Meister, wat oorspronkelijk een ervaren ambachtsman was die de bevoegdheid had leerlingen op te leiden. Aan het begin van de 21e eeuw is het schaken een moderne, professionele sport. Bij de wedstrijden om het wereldkampioenschap staan miljoenen dollars op het spel. De sterkste schakers zijn jonge mensen, afkomstig uit alle windstreken. De beroepsspelers laten zich begeleiden door trainers en naast hun schaaktechnische voorbereiding werken zij aan hun lichamelijke conditie om opgewassen te zijn tegen de spanningen en vermoeienissen van lange toernooien en matches. De wereldschaakbond is aangesloten bij het Internationaal Olympisch Comité en de schakers zullen worden onderworpen aan dopingcontroles. De manier waarop wordt gespeeld, de schaakstijl, is aan deze veranderingen aangepast. De schaakspeler uit het midden van de negentiende eeuw bood zijn tegenstander onder het genot van een goede sigaar gaarne een gambiet aan, vanzelfsprekend in een open partij. De tegenstander was niet zo onhoffelijk dit gambiet te weigeren, evenmin als hij het stukoffer zou weigeren dat hem later in de partij wellicht zou worden aangeboden. Rond de millenniumwisseling zitten in een rookvrije speelzaal schakers tegenover elkaar die zich met behulp van een computer tot het uiterste hebben voorbereid op hun partij. Fair play wordt op prijs gesteld, maar men is gekomen om te winnen. Met een onverwachte openingskeuze en een nieuwe zet hopen de spelers elkaar te verrassen en de partij in hun voordeel te beslissen.
Centraal in deze studie staat de vraag hoe de veranderingen die de afgelopen anderhalve eeuw in de schaakwereld en in de schaakstijl zijn opgetreden, kunnen worden verklaard. De eerste hypothese is dat de veranderingen in de schaakstijl verklaard kunnen worden door de veranderingen in de structuur van de schaakwereld. De tweede hypothese is dat deze veranderingen onderdeel zijn geweest van een maatschappelijk moderniseringsproces, en meer in het bijzonder van een proces van sportificatie. Deze twee hypothesen zijn getoetst door middel van een historisch-sociologisch onderzoek. Daarin stonden drie begrippen centraal: structuur van de schaakwereld, schaakstijlen en sportificatie. De schaakwereld is het complexe netwerk van personen, groepen en organisaties die op de een of andere manier bij het schaakspel betrokken zijn. Tussen de diverse actoren bestaan patronen van afhankelijkheidsrelaties en bindingen die de structuur van de schaakwereld vormen. De kern van de schaakwereld wordt gevormd door de relaties tussen de schaakmeesters en hun publiek. Deze verlopen grotendeels indirect via twee verschillende mechanismen, waardoor een dubbelstructuur is ontstaan. In de associatieve structuur vindt sturing van sociaal handelen plaats op basis van het verenigingsprincipe. Dat wil zeggen dat de activiteiten in deze structuur, zoals (de organisatie van) schaakwedstrijden, zijn gebaseerd op en gebonden aan statuten en reglementen. In de marktachtige structuur wordt een schaakwedstrijd georganiseerd als er een behoefte aanis en de mogelijkheden aanwezig zijn en gemobiliseerd kunnen worden om aan deze behoefte te voldoen. Sturing vindt dus plaats op basis van vraag en aanbod. Van een echte markt in economische zin is geen sprake zolang het prijsmechanisme een ondergeschikte rol speelt. Naarmate de commerciële actoren in de schaakwereld belangrijker worden, kan de marktachtige structuur zich ontwikkelen tot een commerciële structuur.
Het schaakspel heeft verschillende betekenissen, namelijk wetenschap, kunst, spel of sport. Een schaakstijl is gedefinieerd als een kenmerkende betekenisvolle manier van schaken, die wordt bepaald door gezamenlijke specifieke opvattingen over de schaaktheorie en het belang van sportieve en kunstzinnige aspecten. De ontwikkeling van de schaakstijl kan zowel veranderingen in theoretische kennis inhouden, alsook een verschuiving in belangrijkheid tussen de wetenschappelijke, de sportieve en de kunstzinnige aspecten. Als de sportieve aspecten belangrijker worden, is er sprake van sportificatie. Sportificatie duidt in eerste instantie op de overgang van een activiteit van een traditioneel spel of vermaak naar een moderne, internationaal gestandaardiseerde sport. Dit gaat gepaard met maatschappelijke differentiatie: de beoefenaars van de sport vormen een relatief autonome maatschappelijk segment, waarin zij zelf regels opstellen, handhaven en controleren.
Een moderne sport moet zich voortdurend aanpassen aan de eisen die vanuit de maatschappelijke context worden gesteld. Het sportificatieproces gaat door als een vermaak een sport is geworden. Gebeurt dit niet of onvoldoende dan kan desportificatie optreden en valt de activiteit terug in de status van spel. De aanpassingen hebben in het algemeen prestatieverhoging ten doel en bestaan uit een aantal processen, die in de sociologische literatuur als aspecten van het maatschappelijke moderniseringsproces worden beschouwd: professionalisering, commodificatie en rationalisering.
Vaak treedt specialisatie op: sporters gaan zich toeleggen op een of enkele specifieke onderdelen van hun sport. Dit is in veel gevallen een gunstige voorwaarde gebleken voor professionalisering: beroepsmatige sportbeoefening. Verdere prestatieverbetering kan worden bereikt door ook de voorbereiding, training en begeleiding op professioneel niveau te brengen. Commodificatie is nauw verbonden met professionalisering, en heeft betrekking op de transformatie van de sportieve activiteit tot een product voor massaconsumptie. Naarmate betere en nieuwere distributiekanalen beschikbaar kwamen, variërend van stadions tot televisieuitzendingen, versnelde het commodificatieproces. Op de sportieve activiteit had dit het effect dat deze steeds spectaculairder moest worden (spectacuralization) om zijn marktwaarde te verhogen dan wel op peil te houden. Dit gebeurt soms door verandering van de spelregels, maar in het algemeen wordt gestreefd naar prestatieverbetering. Door verwetenschappelijking (rationalisering) en professionalisering van voorbereiding en begeleiding, blijken in de meeste sporten regelmatig innovaties op medisch, fysiologisch en technisch mogelijk, die prestatieverhogende effecten hebben. Rationalisering heeft tevens betrekking op de organisatie van de sportieve activiteit, die in de loop van het moderniseringsproces steeds meer bureaucratische kenmerken krijgt. Deze hebben betrekking op onder andere de registratie van records en andere prestaties, de selectie voor kampioenschappen en de controle van bijvoorbeeld dopingreglementen.
Uit de schaakliteratuur komt het beeld naar voren van een opeenvolging van onderling vaak rivaliserende schaakstijlen. Er zijn echter ook perioden van betrekkelijke rust geweest. Soms was een bepaalde stijl dominant, soms bestonden verschillende stijlen naast elkaar. Voor een deel zijn schaakstijlen sociale constructen geweest, een middel van vernieuwers om hun opvattingen van een etiket te voorzien en zich te onderscheiden van hun voorgangers. De stijlontwikkeling is een tamelijk continu proces geweest, waarin een aantal versnellingen hebben plaatsgehad. Deze vielen samen met de opkomst van de Klassieke stijl (circa 1870) de Hypermoderne stijl (circa 1920) en de Sovjetstijl (circa 1945), terwijl de indruk bestaat dat momenteel (circa 2000) weer een versnelling gaande is.
Het jaar 1851 is een keerpunt geweest in de schaakgeschiedenis. Tot dat jaar ontmoetten de sterkste spelers elkaar zelden en werden de meeste wedstrijden gespeeld in koffiehuizen en salons tussen spelers van sterk uiteenlopende speelsterkte. Nadat in 1851 in Londen het eerste internationale schaaktoernooi was gehouden, kwamen er meer toernooien en matches tussen min of meer gelijkwaardige tegenstanders. Dit was het begin van een proces van sportificatie, dat twee kanten had. Enerzijds werd het gekenmerkt door associatievorming en standaardisering van spelregels en toernooireglementen, anderzijds bleef het schaakprofessionalisme uit de koffiehuizen op beperkte schaal voortbestaan.
De periode 1851-1870 was de bloeitijd van de Romantische schaakstijl. In de koffiehuizen speelden de schaakmeesters om een financiële inzet en gaven zij de zwakkere tegenstanders een voorgift van een pion of stuk. Hun speelstijl was aan deze omstandigheden aangepast: geen rustige partijopbouw, maar avontuurlijk, aanvallend spel. Een typisch voorbeeld van de Romantische stijl was het gambiet: een opening waarin een of meer pionnen werden geofferd in ruil voor tijdwinst en aanvalskansen. De meesters van de koffiehuizen namen deze stijl mee naar de eerste internationale toernooien.
Na de beëindiging van de Frans-Duitse Oorlog in 1871 brak een periode aan die gunstig was voor de ontwikkeling van het schaakspel en de schaakwereld. Het aantal internationale toernooien nam toe en het aantal internationale matches steeg sterk. In verschillende landen werden landelijke schaakbonden opgericht, die op gezette tijden internationale congressen organiseerden. Niet alleen bevorderde dit de contacten tussen de schaakmeesters, het droeg ook bij aan de standaardisering van de spelregels en de toernooireglementen. Het schaken kreeg zoveel belangstelling dat het spel uit commercieel oogpunt interessant werd. Kranten en tijdschriften openden schaakrubrieken en er werden speciale schaaktijdschriften uitgegeven. Er kwamen uitgeverijen die speciale fondsen voor schaakboeken stichtten. Dit zijn tekenen van een voortschrijdend moderniseringsproces, dat zijn voorlopige hoogtepunt in 1886 bereikte toen de schaakwereld voor het eerst een wereldkampioen kreeg. De sportificatie van het schaken stond echter nog in de kinderschoenen. Er waren nog vrij weinig professionele spelers en deze leidden een moeizaam bestaan.
Een belangrijk aspect van het moderniseringsproces was omstreeks 1870 de verwetenschappelijking van de schaakstijl. De bakermat van de nieuwe stijl was de Engelse schaakwereld, die vanwege de concentratie van beroepsspelers, meer dan de andere kernlanden als het centrum van de schaakwereld werd beschouwd. De eerste wereldkampioen, Steinitz, legde de filosofisch-theoretische basis van de Klassieke stijl door de introductie van de begrippen balance of position en accumulation of small advantages. De Klassieke stijl werd snel belangrijker dan de Romantische stijl, wat vooral bleek uit een afnemend aandeel van de gambieten. Een van de redenen van de groeiende populariteit van de Klassieke stijl onder de schaakmeesters was dat hij een efficiënte, professionele toernooistijl was.
Vanaf 1890 is het aantal internationale toernooien sterk toegenomen, terwijl de groei van het aantal internationale matches in hetzelfde tempo als in de voorgaande periode is doorgegaan. Het sportificatieproces werd verder gekenmerkt door een versnelling van de professionalisering en commodificatie van het schaken. Voor het professionaliseringsproces, waartegen binnen de associatieve structuur veel bezwaren bestonden, was het van belang dat men het beroepsschaken steeds minder beschouwde als een betaalde tijdsbesteding, maar meer als een ruilrelatie tussen de schaakmeesters en hun publiek. In lijn hiermee werd de omvang van de geldprijzen in toernooien afhankelijk gesteld van de duur van die toernooien en werden systemen bedacht om tot een rechtvaardige verdeling van de prijzen te komen, zodanig dat ook degenen die laag eindigden een financiële compensatie kregen. Eveneens werden de toernooi-omstandigheden aangepast. Er kwamen rustdagen en het speeltempo werd gefixeerd op 30 zetten in twee uur. Het commodifcatieproces dat op gang was gekomen in de uitgeversbranche, breidde zich uit doordat schaakwedstrijden zelf commercieel interessante evenementen werden, met name vanwege de mogelijkheid hen voor reclamedoeleinden te gebruiken. Het aantal gesponsorde internationale toernooien en matches is in deze periode groter geworden, met name doordat badplaatsen en kuuroorden zich als financiers en organisatoren opwierpen.
Met de ontwikkeling van het professionalisme ontwikkelde de Klassieke stijl zich eveneens. Er werden weinig vernieuwingen in de stijl aangebracht, maar het schaaktechnische niveau werd verhoogd. Hierdoor werden de schaakmeesters zeer bedreven in het bewaken van de balance of position, maar tevens werden zij virtuoos in het uitbuiten van kleine voordelen als het stellingsevenwicht was verstoord. De professionals waren in hun toernooistrategie risicomijdend en kozen in hun onderlinge partijen vaak voor veilige openingsvarianten. Het gambiet verdween vrijwel geheel uit de toernooipraktijk. Creativiteit maakte plaats voor routineus, clichématig spel. Het aantal partijen dat in remise eindigde werd ten gevolge van het hoge technische niveau van de professionals steeds groter. Dit leidde tot de remisekwestie. De amateurs (en in navolging van hen toernooi-organisatoren) kwamen in protest tegen de vele remises op topniveau en vielen gelijktijdig het professionalisme aan. In reactie op de protesten ontstond al voor de oorlog een Neoromantische beweging die op kunstmatige manier probeerde de combinatierijke aanvallende schaakstijl in ere te herstellen. Men probeerde dit doel op verschillende manieren te bereiken, namelijk door zodanige aanpassing van het systeem van geldprijzen dat remises geld kostten (twee remises leverden minder prijzengeld op dan een winst- en een verliespartij), door speciale prijzen voor de mooiste partijen of de spectaculairste combinatie uit te loven of door toernooien te organiseren waarin het gambietspel verplicht werd gesteld. Deze initiatieven hadden echter geen aanwijsbare invloed op de heersende schaakstijl.
Na de Eerste Wereldoorlog brak in Midden- en Oost-Europa een politiek en sociaal turbulente tijd aan. In Midden- en Oost-Europa onstonden nieuwe staten, Rusland ging in 1917 over in de communistische Sovjet Unie en in Duitsland ontbrandde een strijd tussen politiek links en rechts waaruit tenslotte het nationaal-socialisme als winnaar tevoorschijn kwam. Het kon niet anders of de politieke gebeurtenissen in Europa hadden invloed op de schaakwereld. Er kunnen twee hoofdlijnen worden onderscheiden. De ene hoofdlijn was de uitbreiding van de associatieve structuur. In de nieuw gevormde staten werden met veel nationalistisch élan schaakbonden gevormd en in 1924 werd de wereldschaakbond FIDE opgericht. Geheel passend in het politieke klimaat werden vanuit de associatieve structuur veel landenwedstrijden georganiseerd, waarvan de belangrijkste de schaakolympiade van de FIDE was. De tweede hoofdlijn is dat de versnelling in het sportificatieproces, die al in de periode voor de Eerste Wereldoorlog was begonnen, na de oorlog doorging. Het aantal internationale matches en toernooien bleef groeien, de voorwaarden voor het professionalisme verbeterden en de commerciële sponsoring van schaakwedstrijden nam toe. De twee hoofdlijnen weerspiegelen de kloof die was ontstaan tussen de amateurs en de professionals en tussen de associatieve en de marktachtige structuur. Het was geen onoverbrugbare kloof, want de partijen waren van elkaar afhankelijk, maar op twee punten ontstonden conflicten. Het eerste betrof het wereldkampioenschap. De heersende wereldkampioenen weigerden het beheer van dit instituut uit handen te geven en zij werden hierin gesteund door hun grootste rivalen. Voor het aanzien van de FIDE was het echter van groot belang dat zij zeggenschap kreeg over het wereldkampioenschap. Het deskundige publiek, de amateurspelers, kozen in het algemeen de kant van de FIDE omdat zij zich ergerden aan de vaak zeer langdurige onderhandelingen voor een WK-match en aan de grote bedragen die met deze matches gemoeid waren. Het tweede conflict betrof de kwaliteit van het spel van de schaakmeesters. Het remisespook waarde door de schaakwereld en de meeste schaakliefhebbers weten dit niet aan de virtuoze beheersing van de Klassieke stijl, maar aan een gebrek aan strijdlust en risicoaversie bij de professionals.
Er ontstond een maatschappelijke druk om het schaakspel aantrekkelijker te maken. De vernieuwing van de schaakstijl moest echter komen vanuit de beleving van het spel door de schaakmeesters zelf. Enkele jongere schakers, van joodse afkomst en hun geboorteland in Oost-Europa om politieke redenen ontvlucht, kunnen worden beschouwd als een avantgardistische groepering op schaakgebied, die werd beïnvloed door de culturele aspecten van de moderne techniek en de moderne stromingen in de kunst. Zij hadden geen ontzag voor de heersende opvattingen over hoe het schaakspel gespeeld diende te worden en zij wezen de gedogmatiseerde opvattingen van de Klassieken van de hand. Wars van clichématig spel zochten zij naar nieuwe wegen in de schaakstrategie. Aldus ontstond de Hypermoderne stijl.
Een centraal element van de Hypermoderne stijl waren de opvattingen over het centrum. Tegenover de Klassieke bezetting van het centrum met pionnen, stelden de Hypermodernen de beheersing van het centrum door stukken op afstand. Blijvende bijdragen van de Hypermodernen aan de schaaktheorie zijn de Indische verdediging en de Flankopeningen geweest. Hoewel de polemiek tussen de representanten van de Klassieke stijl en de Hypermodernen tot diep in de twintiger jaren doorging, had de nieuwe stijl zich al in het begin van de twintiger jaren een vaste positie verworven. Geheel dominant is het Hypermodernisme echter niet geworden. Na verloop van tijd speelden de meeste schaakmeesters in een mengeling van de Klassieke en de Hypermoderne stijl en omstreeks 1930 kan van een samensmelting worden gesproken. Er brak een pragmatische, ideologiearme periode aan, de periode van de Praktische stijl, die kan worden omschreven als een voorzetting van de Klassieke stijl verrijkt met elementen van de Hypermoderne stijl. In theoretische kwesties stelden de Practici zich pragmatisch op: zij lieten zich in hun theorievorming sterk leiden door de empirie, door de ervaringen in het praktische spel.
Na de Tweede Wereldoorlog traden belangrijke veranderingen in de schaakwereld op. In politiek opzicht was ten eerste van groot belang dat de FIDE de zeggenschap verwierf over het wereldkampioenschap en aldus groot gezag in de schaakwereld verwierf, en ten tweede dat de Sovjet Unie toetrad tot de FIDE en voor lange tijd het sterkste en het machtigste schaakland werd. Het aantal internationale toernooien steeg verder, zowel in de associatieve als in de marktachtige structuur, maar mede ten gevolge van de WK-cyclus vooral in de eerstgenoemde. Op plaatselijk niveau ontstond nauwe samenwerking tussen markt en associaties.
In de Sovjet Unie steunde de staat het schaken, evenals de sport in het algemeen, om politieke redenen, namelijk om de superioriteit van het communisme boven het kapitalisme aan te tonen. Door ruime financiële staatssteun kon het schaken in de Sovjet Unie op een hoger professioneel niveau worden gebracht. Sterke spelers werden staatsamateurs en konden zich volledig aan het schaken wijden. Bovendien kregen zij de beschikking over trainers en bij belangrijke wedstrijden over secondanten. Internationale toernooien werden door de Sovjetdeelnemers vaak gezamenlijk voorbereid. Er waren dus ruime mogelijkheden voor analyse en voorbereiding, zowel voor de spelers individueel (in samenwerking met hun trainer) als gezamenlijk. De ondersteuning door de staat leidde mede tot het ontstaan van de Sovjetstijl. Deze was in eerste instantie een ideologisch construct van de autoriteiten, ontstaan in de dertiger jaren. In het begin van de Koude Oorlog is hij schaaktechnisch onderbouwd. In ideologisch opzicht diende de stijl een weerspiegeling te zijn van de Nieuwe Sovjetmens en daarom werden eigenschappen als kracht, initiatief en creativiteit vanaf het begin benadrukt. Schaaktechnisch werd dit vertaald in principes als de strijd om het initiatief als alternatief voor het verzamelen van kleine voordeeltjes en concrete analyse als alternatief voor het spelen volgens algemene wetmatigheden. Historisch gezien was de Sovjetstijl een variant op de Praktische stijl, omdat hij ook een integratie van de Klassieke en de Hypermoderne stijl behelsde. Een specifiek kenmerk, naast de sterke overheidsbemoeienis, was de relatief sterke doorwerking van het Romantische schaken. Daartoe in staat gesteld door de vele faciliteiten hebben de Sovjetschakers met name het beginsel van de strijd om het initiatief in concrete analyse uitgewerkt tot nieuwe, scherpe en dynamische openingssystemen, die een belangrijk kenmerk van de Sovjetstijl werden.
Buiten de Sovjet Unie was de financiële steun voor het schaken gering. In plaats van staatssteun moest men andere geldstromen proberen te benutten, namelijk sponsorgelden van bedrijven, donaties van schaakliefhebbers en mecenassen en overheidssubsidies, die meestal niet structureel waren. Hierbij kwam dat de overvloed aan sterke, door de staat betaalde spelers uit de Sovjet Unie een drukkend effect had op de startgelden en geldprijzen in de internationale toernooien in het Westen. Het gevolg was een stagnatie van het schaakprofessionalisme buiten de Sovjet Unie. Mede daardoor kon de Sovjet Unie haar superieure positie handhaven en kon de Sovjetstijl de dominante manier van spelen worden.
Nadat de FIDE de zeggenschap had verworven over het wereldkampioenschap, werd de cohesie binnen de internationale schaakwereld sterker, onder andere doordat de affectieve bindingen werden versterkt. De toekenning van internationale titels (grootmeester, meester, arbiter) speelde hierbij een belangrijke rol, evenals de tweejaarlijkse schaakolympiades. De titelverlening geschiedde op basis van toernooiresultaten, hetgeen een registratie van uitslagen nodig maakte. Dit leidde tot een toename van de bureaucratie binnen de FIDE, die echter in principe amateuristisch bleef. De schaakwereld bleef groeien, hetgeen op den duur leidde tot strubbelingen tussen “oude” en “nieuwe” schaaklanden en tot compromissen, onder andere ten aanzien van de WK-cyclus, die niet altijd in het voordeel van de topspelers waren. De cyclus werd uitgebreid, waardoor het aantal internationale spelers toenam. De regels voor titelverlening werden hierbij aangepast met als gevolg een stijging van het aantal titeldragers die achterbleef bij de stijging van het gemiddelde spelpeil, hetgeen titelinflatie in de hand werkte. Dit was een reden om over te gaan op een ratingsysteem, waarbij spelers jaarlijks werden gewaardeerd op grond van hun prestaties in het voorgaande jaar. Een en ander leidde tot een vergroting van de bureaucratische macht van de FIDE.
Het professionalisme leefde in de jaren zeventig weer op. Een van de oorzaken was dat het aantal sterke grootmeesters buiten de Sovjet Unie groter werd, waardoor het schaken commercieel aantrekkelijker werd voor sponsors. Bovendien werd het prijsdrukkende effect vanuit de Sovjet Unie kleiner, doordat zowel de Sovjetspelers als de Sovjetstaat hogere startgelden vroegen. Een sterke impuls ging uit van enkele spelers die een bedreiging vormden voor de Sovjethegemonie, in het bijzonder de Amerikaan Fischer die in 1972 wereldkampioen werd. Zijn optreden leidde tot een versnelling in het commodificatieproces, onder andere blijkend uit de belangstelling van televisiemaatschappijen. In het algemeen had de opkomst van Westerse spelers tot gevolg dat meer sponsors konden worden aangetrokken voor evenementen die vanuit de associatieve structuur werden georganiseerd, met name de laatste fasen van de WK-cycli. Het kwam echter vrijwel niet voor dat spelers privésponsors hadden. De Westerse spelers bleven kleine zelfstandigen zonder een gegarandeerd inkomen zoals de spelers uit de Sovjet Unie.
In het midden van de zestiger jaren hadden de spelers uit het Westen de Sovjetstijl overgenomen en begon deze stijl zich tegen de Sovjetspelers zelf te keren. Er werd gesproken van de Universele stijl, waarmee enerzijds werd bedoeld dat hij algemeen ingang had gevonden, anderzijds dat hij werd gekenmerkt door een beheersing van alle fasen en aspecten van het spel. Concrete analyse en openingsvoorbereiding waren zo mogelijk nog belangrijker geworden. Een belangrijke functie werd daarbij vervuld door de Schaakinformator, een halfjaarlijkse uitgave van enkele honderden op opening gerangschikte actuele partijen, van commentaar voorzien door grootmeesters uit de gehele wereld. De Universele stijl was professioneel, net zoals de Sovjetstijl dat was. In het Westen was het echter voor de meeste grootmeesters vooralsnog niet mogelijk de voorbereiding en begeleiding op hetzelfde professionele niveau te brengen als in de Sovjet Unie met de uitgebreide staatssteun wel mogelijk was. De verschillen tussen de Sovjetspelers en de overige professionele spelers bleven groot.
Dit veranderde met het einde van de Koude Oorlog in 1989 en de opheffing van de Sovjet Unie in 1991. Er ontstond een toestroom van sterke spelers uit Oost-Europa, vooral uit de Sovjet Unie naar de Westerse schaakmarkt en dit had nieuwe spanningen tussen de associatieve en de marktachtige structuur tot gevolg. Reeds in 1987 was een vakbond voor schaakgrootmeesters opgericht, de Grandmasters Association, die echter niet voldeed aan de ambities van de toen heersende wereldkampioen, Kasparov. Deze onttrok in 1995 zijn wereldtitel aan het gezag van de FIDE, waarmee een breuk in de schaakwereld ontstond. Aan de ene kant stond de wereldkampioen omringd door commerciële adviseurs, aan de andere kant een in principe amateuristische organisatie. Rond de eeuwwisseling zette de FIDE echter een commercialiseringoffensief in, waarvan maatregelen om het schaken spectaculairder te maken onderdeel waren: de invoering van een knock-out-systeem voor het wereldkampioenschap ter vervanging van de traditionele matches en een versnelling van het speeltempo.
De schaakstijl is vanaf circa 1985 superdynamisch geworden. Drie kenmerken van de Sovjetstijl, namelijk concrete analyse, de strijd om het initiatief en een zeer goede openingsvoorbereiding, zijn ook in de Superdynamische stijl aanwezig. Het technisch niveau van de topgrootmeesters is zeer hoog. In hun partijen passen zij Klassieke en Hypermoderne beginselen toe, maar zij doen dit niet expliciet. De theorieën uit het verleden zijn geïnternaliseerd, onderdeel van het onbewuste schaakdenken, en komen tot uiting in de techniek van de spelers. Om winstkansen te houden, streven de huidige schaakmeesters naar unbalanced positions. Deze zijn vaak zeer gecompliceerd, maar berusten op een diepgaand onderzoek van de openingen waarbij gebruik wordt gemaakt van computers. Het veelvuldig gebruik van computers bij de voorbereiding van partijen, beïnvloedt de manier van spelen van de menselijke schakers. Mensen gaan schaken zoals computers schaken. Dit heeft tot gevolg dat rekenvaardigheid en parate kennis een overheersend kenmerk wordt van de schaakstijl.
De sportificatie en vooral de spectacularization van de laatste jaren leidt er toe dat twee traditionele waarden worden losgelaten. De bekorting van de bedenktijd is in strijd met de wetenschappelijke pretentie dat schaakpartijen in principe foutloos moeten zijn en de vervanging van de WK-matches door knock-out-toernooien is in strijd met de absolutistische pretentie dat de wereldkampioen onbetwist de beste schaker moet zijn. Als star wordt vastgehouden aan deze pretenties is het gevaar aanwezig dat desportificatie optreedt, en het schaken terugvalt in de status van een spel. Denkbaar is een verdere specialisatie door jaarlijkse (wereld)kampioenschappen in bijvoorbeeld het rapidschaken, het toernooischaken en het klassieke matchschaken te organiseren.
Zoals er sprake kan zijn van desportificatie als het sportificatieproces stagneert, zo kan hypersportificatie optreden als het te snel gaat. Een vorm van hypersportificatie is dat prestatieverbeteringen door technische verbeteringen en niet meer door menselijke inspanningen tot stand komen. In de schaakwereld is na de nederlaag van de wereldkampioen tegen de schaakcomputer Deep Blue de vrees uitgesproken dat het schaken als sport wordt bedreigd door de schaakcomputers. Schaakwedstrijden van mensen tegen computers of tussen mensen die computers gebruiken kunnen interessant zijn voor het publiek en daardoor aantrekkelijk voor sponsors en de professionele schakers, zolang zij spannend zijn. De computers zullen echter snel veel sterker worden dan de mensen, waardoor de spanning verdwijnt en daarmee de belangstelling van publiek en sponsors. Aldus beschouwd zal de nederlaag van de Kasparov tegen Deep Blue niet het einde van het schaken zijn.
De auteur
Ruurd Kunnen werd geboren in 1949 in Steenwijk. Van 1961 tot 1968 volgde hij gymnasium β in Steenwijk, Assen en Sneek. In 1968 begon hij zijn opleiding sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, waarin hij in 1971 het kandidaats- en in 1977 het doctoraalexamen met als specialisatie arbeids- en organisatiesociologie aflegde.
Zijn beroepsloopbaan begon hij in 1978 als secretaris van het Nationaal Programma Arbeidsmarktonderzoek (NPAO) in Den Haag. In 1983 werd hij programmaleider, c.q. wetenschappelijk staflid en later senior staflid bij de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA). In deze functie hield hij zich bezig met opzetten van onderzoeksprogramma’s op het gebied van de arbeidsmarkt in brede betekenis; uitvoeren en doen uitvoeren en begeleiden van onderzoeken; integreren van de resultaten van onderzoeken in tweejaarlijkse rapporten, later themarapporten, ten behoeve van de beleidsvoorbereiding van de ministeries van SZW, EZ, OCenW, BiZa en VWS.
Van 1998 tot 2000 was hij als onderzoeker en projectleider verbonden aan de afdeling Arbeid en Onderwijs van het NEI in Rotterdam. Vanaf 2001 is hij zelfstandig onderzoeker in zijn eigen sociaal wetenschappelijk onderzoekbureau, swob De Kade.
Hij is een enthousiast clubschaker en bestuurslid van sv Promotie in Zoetermeer. Hij is getrouwd met Herma Verbaan en heeft een zoon, Jetze.
