Schaken in Stijl

Schaken in stijl – een academische proeve van bekwaamheid

Schaken in stijl – Ruurd Kunnens academische proeve van bekwaamheid.

Een aantal weken geleden plofte bij mij een pakket op de spreekwoordelijke deurmat. In het pakket zat een dik boekwerk van meer dan vierhonderd kloeke pagina’s, het proefschrift van Ruurd Kunnen. Ik wist dat het eraan stond te komen, maar het blijft toch altijd weer een verrassing als je het langverwachte geesteskind van iemand in je handen mag houden.

Op 28 februari 2002 zou Ruurd Kunnen volgens het titelblad zijn boekwerk aan de Leidse Universiteit verdedigen. De titel van het proefschrift: "Schaken in stijl".

Proefschriften vallen in twee categorieën. In de eerste categorie zitten de proefschriften die bijna ongemerkt op door muizen bezochte vlieringen terechtkomen en op aan het oog onttrokken plaatsen in boekenkasten. In deze categorie zitten de proefschriften die een kommervol bestaan leiden in de schappen van Jan de Slegte, of die zelfs ooit worden gevoederd aan de hongerige wagens van de stadsreiniging.

In de tweede categorie zitten de proefschriften waarvoor een heus ISBN-nummer wordt aangevraagd, die bij ooms en tantes op de salontafel liggen en die zelfs worden gelezen. Het lijdt geen twijfel dat Ruurds proefschrift in deze categorie valt.

Dat is trouwens geheel zijn verdienste. In plaats van te neuzelen over veel te afstandelijke onderwerpen als de magneto-hydrodynamica van dubbele radiobronnen (Manuel Nepveu, Rijksuniversiteit Groningen, 27 april 1979) of foto-geïnduceerde elektron-overdracht processen van 1,4-dihydropyridines (Frans Martens, Universiteit van Amsterdam, 24 juni 1981), schrijft Ruurd over een onderwerp waarin iets meer mensen geïnteresseerd zijn. Ruurd kan met zijn boek rekenen op de belangstelling van honderden, misschien zelfs duizenden mensen.

Het proefschrift heeft een motto: "De ontwikkeling van schaakstijlen als een proces van sportificatie". In mijn tekstverwerker roept het laatste woord van het motto een krachtig protest op. Het gaat dan ook niet om een algemeen aanvaard Nederlands woord, maar om iets dat kennelijk tot het sociologisch jargon behoort (Eng. "sportization", Elias)

In het begin van de negentiende eeuw is schaken een voornamelijk vrijblijvende, aangename vrijetijdspassering van sigarenrokende heren van middelbare leeftijd. Nu, bijna twee eeuwen later, wordt het schaken (ook) professioneel beoefend en staan er voor sommige "topsporters" prestige en aardige sommen gelds op het spel.

Ruurd beschrijft hoe deze verandering tot stand is gekomen. Letterlijk schrijft hij in de inleiding (pag.10) dat het in zijn boekwerk gaat om het onderzoek naar twee vragen.

1)Hoe heeft de structuur van de schaakwereld zich in de loop der jaren ontwikkeld?

2)Welke invloed heeft deze ontwikkeling gehad op de ontwikkeling van de schaakstijlen?

In de schaakliteratuur wordt voortdurend over schaakstijlen gesproken, maar voor de onderzoeker bewijst dat nog niet dat schaakstijlen ook werkelijk bestaan. De onderzoeker moet eerst laten zien uit empirisch materiaal dat er inderdaad zoiets als een schaakstijl bestaat. Prima! Dit komt me bekend voor! Een wiskundige kan ook niet "zomaar" gaan kletsen over reële getallen, hij moet eerst bewijzen dat er zulke wiskundige objecten bestaan. In zijn geval moeten die eerst geconstrueerd worden. De "schaaksocioloog" daarentegen moet graven in empirisch materiaal om het bestaan aannemelijk te maken. In beide gevallen moet er derhalve eerst wat worden bewezen voordat aan het eigenlijke werk begonnen kan worden.

Ruurd verbindt schaakstijl aan het minder of meer frequent aan de dag treden van zekere openingssystemen. Voor de schaker is dit duidelijk, maar in de inleiding van het proefschrift worden daar bepaald niet veel woorden aan vuil gemaakt (pag.6). Maar in vier grafieken laat hij inderdaad zien hoe de aandelen Open, Half-Open, Gesloten, Half-Gesloten en Flank zich hebben gewijzigd in de tijd en hoe er binnen elk van deze groepen ook weer waarneembare veranderingen zijn geweest. Tenslotte komt Ruurd tot de Romantische stijl (-1900), de Klassieke (1870-1930), de Neo-Romantiek (1910-20), het Hypermodernisme (1910-30), de Praktische stijl (1925-40), de Sovjetstijl (1940-90), de Universele stijl (1960-90) en de Superdynamische stijl (1985-) ).

Uiteraard wist Ruurd van meet af aan waarnaar hij moest zoeken. De stijlen zijn in allerhande historische beschrijvingen (bijvoorbeeld in Euwes "Veldheerschap op de vierenzestig velden") lang en breed uitgemeten. Belangwekkender dan de indeling op zich is het "empirische bewijs" van het bestaan van deze stijlen middels de frequentie van gehanteerde openingssystemen. Ruurd kon terugvallen op een aantal bestanden die het hem mogelijk maakte uitspraken te doen van enigszins kwantitatieve aard. Later kom ik daar trouwens op terug.

Bij zijn studie heeft Ruurd gebruik gemaakt van een overzichtelijk begrippenapparaat. Om te beginnen heeft hij het over de wereldschaakwereld. De schaakwereld is een netwerk van sociale relaties waarbij het schaken in al zijn vormen het gemeenschappelijke element is.

De wereldschaakwereld geeft aan dat deze relaties de hele wereld omspannen. Binnen de wereldschaakwereld maakt hij een onderscheid tussen landen die behoren tot de "kern", de "semi-periferie" en de "periferie". Het onderscheid wordt gemaakt aan de hand van het aantal top-20 spelers in een bepaalde periode, het aantal internationale toernooien en het aantal internationale matches.

Het begrip "sportificatie" werd al even genoemd in verband met de protesten van mijn tekstverwerker. Sportificatie is het proces waarbij een spel gereguleerd wordt, waarbij prestaties meetbaar gemaakt worden en waarbij modernisering in zijn algemeenheid optreedt. Er vindt professionalisering plaats, rationalisatie en commodificatie. Dit laatste begrip houdt in dat de producten die de schaakwereld oplevert (dus bijvoorbeeld partijen, boeken en simultaanseances) tot koopwaar voor consumenten wordt. Kunnen heeft het een aantal malen -ietwat chiquer – over een "ruilrelatie" tussen producenten en consumenten. Daarvoor moeten we meteen door naar het volgende concept, dat absoluut centraal staat in het onderzoek.

De sociale dubbelstructuur van de schaakwereld, een concept dat vermoedelijk volledig uit Ruurds koker komt, staat op pagina 36 afgebeeld. We hebben "boven" de groep van de schaakmeesters, "beneden" de huisschakers en amateur-schakers. De verbinding tussen de twee groepen kan op twee manieren tot stand komen. Enerzijds via de associatieve structuur, anderzijds via de marktachtige structuur. In de associatieve spelen bestuurders en organisatoren van bonden en verenigingen de rol van intermediair. Hun legitimatie hebben zij door een met de amateurs en meesters gemeenschappelijke interesse, het schaken.

In de marktachtige structuur daarentegen zijn de hoofdrolspelers: commerciële organisatoren, sponsors, uitgevers, journalisten. Het verschil met de vertegenwoordigers uit de associatieve structuur is duidelijk. De "marktachtigen" verzorgen op commerciële basis een stroom van schaakproducten, waarbij de schaakmeesters de eigenlijke producenten zijn en de amateurs en huisschakers de consumenten. Zoals je kunt verwachten bestaan er allerhande relaties tussen de verschillende groepen binnen dit model.

Ruurds zelfopgelegde taak was het om deze relaties expliciet aan te geven tegen de achtergrond van zowel de gebeurtenissen in de schaakwereld als de gebeurtenissen op het politieke toneel. In de bovengenoemde termen beschrijft hij de ontwikkeling van de (wereld)schaakwereld en de ontwikkeling van de schaakstijl van de meesterschakers.

Het eigenlijke verhaal begint met hoofdstuk 3 over wat men wel de schaakprehistorie zou kunnen noemen (alles voor 1851, het jaar waarin het grote Londense toernooi werd gehouden) en eindigt met hoofdstuk 11, waarin de jaren 1975-2000 onder de sociologische loep worden genomen. Hoofdstuk 12 geeft een bondige samenvatting van de ontwikkeling van de afgelopen honderd vijftig jaar, zoals Ruurd die heeft beschreven met behulp van zijn eerder genoemde begrippenapparaat. In het laatste hoofdstuk tenslotte, "Epiloog" genaamd, biedt Ruurd ons stof tot nadenken over de toekomst van het schaken, waarbij mogelijke consequenties van de voortgang van de sportificatie van ons edele spel worden doordacht.

Ik heb ervoor gekozen om in deze recensie niet zelf weer eens een samenvatting van een samenvatting (hoofdstuk 12) te gaan produceren. Wie wil weten hoe de structuur van de schaakwereld zich ontwikkeld heeft en welke invloed dat op de dominante schaakstijl van de meesters heeft gehad (volgens Ruurd) moet het boek maar kopen. Wat ik hier wil doen is de aandacht vestigen op enkele zaken die mij zijn opgevallen.

Wat mij als eerste opviel toen de aankondiging van Ruurds promotie op de deurmat viel was dat het geschrift in het Nederlands is geschreven. In mijn eigen voormalige discipline komt dat nauwelijks voor. Wie in de astrofysische wereld iets te vertellen denkt te hebben, vergeet maar even wat zijn moedertaal is en publiceert in het Engels. Dat Ruurds proefschrift in het Nederlands gepubliceerd is betekent dat de socioloog uit Milwaukee en de geïnteresseerde schaker uit Boedapest geen kennis kunnen nemen van dit werk. Natuurlijk, er staat een Engelse samenvatting in het boek, maar dat zal niet voldoende zijn om internationale verspreiding te bevorderen. Waarom dus in de mooiste aller talen geschreven en niet in de effectiefste?

Ik kan twee logisch mogelijke redenen bedenken. De eerste en de pijnlijkste is dat de Nederlandse sociologische wereld niets voorstelt. Wat hier bedacht en geschreven wordt trekt internationaal niet de aandacht. Schrijf maar rustig in het Nederlands, jochie. Who cares?

Ik ken de sociologische wereld niet, maar ik hoop toch eigenlijk niet dat deze wereld er een is waarin intellectuele provinciaaltjes rondlopen. Waarom zou de Nederlandse belastingplichtige zo’n diersoort trouwens ondersteunen?

Een tweede mogelijke reden is dat de socioloog hier te lande nadrukkelijk schrijft voor een breder publiek dan het sociologische alleen. De spreekwoordelijke ooms en tantes behoren tot degenen tot wie de schrijver zich richt. Het onderwerp van het sociologische proefschrift staat in het algemeen redelijk dicht bij de interessewereld van een niet-verwaarloosbaar aantal niet-sociologen. Bovendien kan er in begrijpelijke taal over worden geschreven, zonder dat een abject "hoofdpijnjargon" elke communicatie tussen auteur en lekenpubliek volledig doodslaat. Tenslotte: wie in zijn moedertaal schrijft kan zich preciezer, vlotter en vooral aangenamer uitdrukken. Dat laatste is in het onderhavige proefschrift dan ook goed gelukt.

Er is mij nog iets anders opgevallen wat de vorm aangaat. Het proefschrift van Ruurd Kunnen is een heus boek. Natuurlijk is een proefschrift een boek! ….maar niet immer zoals ik het hier bedoel. In veel gevallen schrijft de promovendus artikelen die in wetenschappelijke tijdschriften worden gepubliceerd. Heeft hij voldoende publicaties, dan schrijft hij een voorwoord dat als lijm tussen de artikelen gedacht is, jast figuurlijk een nietje door het geheel en heeft aldus een boek gemaakt. Dit is de gebruikelijke gang van zaken in de natuurwetenschappen en de lezer zal wellicht kunnen raden waarom. Ruurd heeft het anders aangepakt. Hij heeft geen collage van artikelen geproduceerd, hij heeft een boek gecomponeerd, hoofdstuk voor hoofdstuk, met een voorwoord, een epiloog, aanhangsels, een notenapparaat, literatuurlijsten en met personen- en zakenregisters. Als dit de gebruikelijke gang van zaken is in de sociale wetenschappen – en ik meen dat zulks het geval is – geeft dat maar weer aan dat de daar vigerende "cultuur" een totaal andere is dan de natuurwetenschappelijke.

Op het titelblad staat: "Proefschrift ter verkrijging van de graad van Doctor aan de Universiteit Leiden …" Dat ziet er anders uit dan ik gewend ben. Promoveert Ruurd soms niet aan een bepaalde faculteit? Het komt me voor dat het hier gaat om een sociologisch meesterwerkje, te verdedigen voor een commissie gevuld met sociologen, niet met fysici. Enfin, ik neem maar aan dat het volgens de regels is. In mijn tijd …

Trouwens, het proefschrift zou misschien ook verdedigd kunnen worden voor een commissie van geschiedkundigen. Is sociale geschiedenis nou echt volkomen anders dan sociologie?

Een sociale wetenschapper verbaasde mij, in een grijs verleden, met de opmerking dat in een sociaal-wetenschappelijk boekwerkje altijd wel ergens geschreven staat wat sociale wetenschap is. "Ha!", lacht de natuurwetenschapper uitgelaten en met een superieure glimlach om de lippen. "Dat heb je bij die jonge wetenschapjes. Ze moeten zichzelf positioneren, moeten kennelijk hun best doen serieus genomen te worden." Laten we nu eens in Ruurds boek kijken of de opmerking van lang geleden nog steeds houdt snijdt. "Verdekt opgesteld" zijn er inderdaad opmerkingen die over de sociologie als zodanig gaan, op pagina 40 en 41. Alleen voor de ooms en tantes?

Ruurd probeert de ontwikkelingen in de schaakwereld structureel te begrijpen. Vervelend is het dan toch dat toevallige gebeurtenissen plotseling zo’n allesoverheersend effect kunnen hebben. Het optreden van Fischer in de zestiger jaren maakte het voor organisatoren aantrekkelijk om toernooien te organiseren en sponsoren wilden wel in de buidel tasten.

Hier was nu eens een Westerse schaker die het in zich had de schaakhegemonie van de Sovjet-Unie op eigen houtje te doorbreken. Fischers optreden heeft duidelijk invloed gehad op de ontwikkelingen in de schaakwereld en daar is niets structureels aan. Fenomeen Fischer was er op een gegeven moment, gelijk een angstaanjagende komeet in vroeger tijden. Niemand had dit kunnen voorspellen. Zijn unieke optreden laat alle pogingen tot zuiver structureel begrijpen van de gebeurtenissen in de jaren ’60 enigszins te kijk staan. De historische werkelijkheid is weerbarstiger dan de fraaiste theorie …

Dit brengt ons als vanzelf bij een tweede makke van elk sociaal-wetenschappelijk werkstuk.

Het kan nog zo fraai geschreven zijn, maximale overtuigingskracht bezit het kennelijk nooit.

Het probleem is natuurlijk dat sociologische beschrijvingen verklaren, maar niet keihard voorspellen. In de natuurwetenschappen is het keihard voorspellen nu juist wezenlijk en voorspellingen vormen de lakmoestest voor een theorie. In de sociale wetenschappen is dat blijkbaar niet mogelijk. Een belangrijk wapen valt daarmee weg bij de beoordeling. Maar hoe kun je dan nog overtuigend beweren dat beschrijving B(1) beter is dan de beschrijvingen B(2), B(3), …, B(n)?

Hoe goed een academisch proefschrift ook is geschreven, hoe meeslepend zelfs, de lezer mag zijn kritische zin niet in slaap laten wiegen. In deze geest permitteer ik mij één kritische en één kritisch/ stekelige opmerking (Het zou mijn eer te na zijn om dat niet te doen).

1] Er werd door Ruurd een openingenbestand aangelegd dat vervolgens werd gebruikt om de veranderingen in het door de meesters gespeelde openingenrepertoire te kunnen vaststellen. Zonder twijfel is bij de samenstelling de grootste zorg in acht genomen, zoals wel blijkt uit de beschrijving in bijlage 1, pagina 404-5. Het gevolg is wel geweest dat het totale aantal gebruikte partijen over de periode 1851-1975 nog geen 13.000 bedroeg. Per periode van vijf jaar (meestal door Ruurd aangehouden in zijn tabellen) waren dat doorgaans maar enkele honderden partijen. Dit houdt in dat alleen krasse verschuivingen in het repertoire betrouwbaar kunnen worden getraceerd, kleine nuances beslist niet. Nu maakt Ruurd niet alleen maar onderscheid naar de brede categorieën Open, Gesloten, etc maar splitst ook nog uit naar openingen en zelfs naar openingsvarianten (zie bijvoorbeeld tabellen 9.8 en 9.9).

Heeft dit nog betekenis? Zijn de absolute aantallen bij verregaande opsplitsing niet zo klein geworden dat we tegen statistische ruis aankijken? Welke analyses Ruurd precies hier heeft uitgevoerd staat nergens beschreven. Jammer, want ik had me graag laten overtuigen.

2] De enige keer dat er in het proefschrift "harde" statistiek aan de lezer wordt gepresenteerd is in het zesde hoofdstuk (pag. 149). Ruurd wil nagaan in hoeverre de hoogte van op toernooien uitgedeelde geldprijzen in een bepaalde periode significant samenhangt met een veelheid aan factoren. Hij zal dus naar de multivariate statistiek moeten grijpen, dat weet Ruurd.

Er is in de tekst dan ook sprake van "een multivariate regressieanalyse". Deze aanduiding is echter niet specifiek genoeg. Het gaat vermoedelijk om lineaire regressie in alle variabelen, maar Ruurd zwijgt daarover, alsof lineaire regressie de vanzelfsprekendste zaak ter wereld is. Zonder boe of bah, zonder nadere uitleg knalt hij de resultaten, getallen en symbolen, op papier. Wat is hier gebeurd?

Ruurd heeft vermoedelijk het eerste het beste programmaatje van de vensterbank gerukt, getallen erin geramd en de uitkomsten snel overgeschreven en dit alles terwijl zijn darmen hem tot toiletbezoek noopten. Volgens mij heeft Ruurd geen last van een al te grote "gecijferdheid". De uitkomsten hadden hem iets vervelends over de "goodness of fit" moeten vertellen, maar ik geloof niet dat de boodschap van de getalletjes is aangekomen. En hebben de commissieleden ook collectief een off-day gehad?

Het is maar goed dat dit alles niet heeft gediend om een centrale kwestie in het proefschrift te onderbouwen… Genoeg hierover.

Ik was bij de promotieplechtigheid aanwezig en ik kan U zeggen dat het een vriendelijke promotie was waarbij Ruurd veel lof kreeg toegezwaaid. Ruurds eruditie werd door een van de commissieleden genoemd en zoiets gebeurt waarachtig niet standaard.

Het mag duidelijk zijn dat de commissie hem het felbegeerde doctoraat niet heeft onthouden. Kopen dat boek, schaker!

MN

 

 

 

Scroll naar boven