Schaken voor de goegemeente

Op 16 april was er in het Stadshart weer het jaarlijks terugkerend fenomeen van sportverenigingen die hun waar aan de man brengen. Promotie stond met een keurige stand strategisch opgesteld, zoals het een schaakvereniging betaamt. Naast de Promotiestand was er de stand van een dansclub en niet zomaar één. Op een zwart/wit geblokte mat – geen schaakmat overigens – stonden de dames en heren dansers op hun hoofd te draaien, of op hun handen en hun lendenen zwaaiden alle kanten op. In elk geval maakten zij capriolen die ik in de verste verten niet zou kunnen nadoen – al helemaal niet zonder ernstige averij op te lopen. Misschien dat Maarten van Zetten het wel zou kunnen, maar ik moet het nog zien.

Aanvankelijk vlotte het niet zo erg met de belangstelling van de goegemeente. Martin, Rob, Jeroen, Dirk en ik hielden elkaar in het begin onledig, maar af en toe kwam er een schuchtere tienjarige langs die wel wilde schaken. Op zo’n moment moet je psychologisch goochem te werk gaan. Natuurlijk moet je als Promotiaan winnen om geloofwaardig te blijven, maar je moet de kinderkijns niet het gevoel geven dat ze van het bord geschopt worden. Het aantal dames en andere stukken dat ik niet geslagen heb op die middag loopt in de tientallen. OK, ik overdrijf, het waren er maar zes.

Naarmate de middag vorderde kwamen ook Tox, Henkie, Jaap, Frans en Ruurd de gelederen versterken. Henkie maakte daarbij een extreem benaderbare indruk door zijn donkere zonnebril op te houden.  Op een tuinschaakspel gingen Rob en ik even aan de slag en ik kreeg een medestander die mij vaag bekend voorkwam. Ik heb hem niet naar zijn naam gevraagd en ik weet nog steeds niet wie hij is, de “mystery guest” van deze middag. Hij had dertig jaar geleden wel geschaakt en refereerde in dit verband aan het Nationaal Schaakgebouw in de van Speykstraat. Juist, die wist er meer van. Hij bemoeide zich met mijn spel, na beleefd gevraagd te hebben of dat mocht. Zou hij eigenlijk jurist zijn? Zonder hem had ik ook vast wel gewonnen, maar hij leek mij een interessante aanwinst voor de club. Na de partij vroeg hij of ik tegen hem wilde spelen. Tuurlijk. Bovendien was ik een gewaarschuwd man. Ik had zwart, Grünfeld. Hij speelde passief tot op zeker moment toen hij de knuppel dan toch in het kippenhok smeet. Hij verloor, maar ik zou dat op onwennigheid gooien. Toen hij na de partij nadrukkelijk op het bestaan van de club werd gewezen was zijn antwoord: “over tien jaar”. Tja, er gaat wel eens wat mis.

Tenslotte kwam er iemand langs die mij iets meer dan vaag bekend voorkwam. Dat gold zeker ook voor de overige aanwezigen. Ook tegen hem speelde ik. Hij dacht bij iedere zet echt lang na en Jaap vroeg mij op zeker moment goed hoorbaar of ik brood meegenomen had. Ik herinner me dat deze figuur ooit tijdens een KNSB-partij drie kwartier had nagedacht of zijn schaakstaande koning nou naar h7 of g8 moest. Dat verschil deed er geen bal toe. Een voorbeeld van het beruchte ezelsdilemma? Dat was tegen de beroemde Linda Jap. Die won dus. Tijdmanagement was kennelijk nog steeds een probleem. De meer-dan-vaag-bekende bleek in Meerzicht te wonen. Nou moe… vlakbij de Olympus.  Ik heb hem derhalve op de schaakclub ontboden. We zullen zien.

O ja, het ging natuurlijk om Wendel Wijks. Duidelijk.

 

Scroll naar boven