Als je het soort baan heb als ik, schrijf je wel eens een artikel voor een vaktijdschrift. In het Engels. Je stuurt het manuscript op (tegenwoordig een kwestie van “uploaden”) en je wacht af. Onlangs was het weer zover. Na twee maanden kwam de reactie van het tijdschrift binnen. Het was een onplezierige: geweigerd. Naar goed gebruik waren de commentaren van twee referenten bijgevoegd. Bij bestudering daarvan bleek al snel dat het gladstrijken van een paar inhoudelijke plooien geen probleem mocht zijn. Maar er was een ander, serieuzer probleem. Beide referenten waren duidelijk over mijn Engels gevallen. Een referent viel over de toon (“…style of an oral presentation…”), de ander noemde het Engels bij tijd en wijle “poor”. Gewoon slecht Engels dus.
In ruim dertig jaar heb ik al wel een paar artikelen geschreven (en gepubliceerd gekregen), maar Engelstalige referenten zaten bijna altijd (beschaafd) te mokken over het Engels. Wat ik in het Nederlands wel kan – ik doe niet aan valse bescheidenheid- kan ik niet in het Engels. Ondanks het feit dat ik vaak in het Engels heb moeten communiceren. Ondanks het feit dat ik Engelse collegae in Bonn ooit expliciet heb gevraagd mij te verbeteren, wat ze ook wel deden. Mijn Engels is nog steeds armetierig genoeg om de heren referenten over me heen te krijgen. Zo dom ben ik dus…of is het Engels misschien zo subtiel?
In bepaalde tv-programma’s worden regelmatig interessante personen uitgenodigd die, vaak om politieke redenen, Nederland hebben opgezocht. Voormalige Iranezen, Irakezen, Chinezen, Somaliërs, noem maar op. Prima, zij openen evenzovele venstertjes op de wereld. En dan blijkt in zo’n programma dat iemand van hen een boek heeft geschreven. In het Nederlands. Niet in het Farsi, niet in het Mandarijn, al naar wat het meest voor de hand ligt. Neen, in het Nederlands. Leuk toch? Ja, leuk. Totdat de schrijver zijn mond opendoet. Dit is dus de man die een Nederlands boek denkt te kunnen schrijven, al of niet aangemoedigd door een kwijlende uitgever. Zes jaar in Nederland, kenner van drie tot vijfduizend Nederlandse woorden. Geleerd met ontroerende ijver en grote vastberadenheid.
Op een gegeven moment weet jij gewoon dat de boek geschreven moet worden. Saddam is dood, de boek moet geschreven. Dat aan het beheersing van het Nederlands schort niet erg. Uitgever weet raad mee. Hij avond aan avond met zijn zweetdruppels op zijn vorig hoofd probeert mijn taal te verbeteren. Hij begrijpt mij, weet lidwoorden. Hij kiest goede woorden. In het Nederlands kun jij toch niet subtiel zijn. Drieduizend woorden is genoeg.
Ik weet het lezer, de schandalige overdrijving in de laatste alinea solliciteert naar een gemakkelijke reactie. Ik kan desgewenst weggezet worden als een xenofobe gifkikker die klaarblijkelijk niet eens de pogingen waardeert van een arme vluchteling om zich het Nederlands eigen te maken. Of is dat niet aan de orde? Bemerk ik in de ambitie van de dromer misschien een pijnlijke onderschatting van het Nederlands en daarmee een subtiele vorm van minachting? Is dat soms de oorzaak van mijn wrevel?
Vrouwe Ayaan kwam tot fantastische beheersing van het Nederlands. Zij kon een boek schrijven in onze taal. Maar zelfs zij heeft ooit toegegeven dat ze sommige subtiliteiten in het Nederlands niet altijd onderkende. En dat zij met haar formuleringen moest oppassen. Dat is pas een niveau van besef en begrip! Zij en degenen die het Nederlands zo beheersen kunnen het als volwaardig vehikel van de geest gebruiken en moeten dat vooral doen. Maar ik zit me te verbijten bij de overmoedige hals die ongegeneerd meent Nederlands te kunnen schrijven, terwijl zijn uitdrukkingsvaardigheid erop wijst dat zijn boek grotendeels het product is van een anonieme klerk. Van iemand die maar het beste heeft gemaakt van de ellende die hij kreeg voorgeschoteld. Nederlands is, net als Farsi, net als Mandarijn en net als Engels geen primitief primatentaaltje van dertig grimassen en veertig klanken. Men zou wensen dat alle ambitieuze nieuwkomers dit beseffen.
