Over Sherlock Holmes bestaat een ernstige misvatting, een rare misvatting welbeschouwd. Sherlock Holmes, de superdetective, het gigantische brein in wiens schaduw niemand staan kan. De man die inspecteur Lestrade van Scotland Yard neerzet als een aandoenlijke sufferd, die Dr.Watson in de rol dwingt van huisdier dat kwijlend naar het baasje opkijkt. Sherlock Holmes, de absolute koning der deductie… Nee dus!
Daar zit het misverstand. Sherlock is helemaal niet de verpersoonlijking van een deduceermachine. Maar wat dan wel? Sherlock heeft allereerst de gave om op te merken, te zien. De man die dood op bed ligt, in een aan de binnenkant afgesloten kamer, heeft helemaal geen zelfmoord gepleegd zoals die brave Lestrade denkt. Alles in de kamer wijst erop dat de man linkshandig is, maar hij heeft een kogelgat in zijn rechterslaap. Goed kijken, Lestrade!
Bij het aanschouwen van een hoed concludeert de detective dat “…de eigenaar zeer intellectueel is, ooit financieel goed af was in de laatste drie jaar, hoewel hij het nu moeilijk heeft; eens had hij een vooruitziende blik, maar nu minder; wat wijst op een morele achteruitgang, waarschijnlijk veroorzaakt door drankzucht; en zijn vrouw houdt duidelijk niet meer van hem.” Hoe zou je deze verbazingwekkende reactie van de detective op het zien van een hoofddeksel omschrijven? Welnu, hier hebben we niet te maken met DEductie, logisch dwingend afleiden, maar met INductie, intelligent gokken. Sherlock Holmes kan nooit of te nimmer uit de aanschouwing van een hoed logisch afleiden wat hij beweert. Ongeacht zijn grote opmerkingsgave en ongeacht zijn grote kennis van de meest bizarre “handige weetjes”. Die maken het hem mogelijk om eventuele verklaringen te verzinnen, maar deduceren…nee. Uit zijn successen blijkt dat de superdetective een grootmeester is in de goede gok. Zijn DEductieve vermogens vallen daarbij eigenlijk niet eens zo op. Het wonder van Sherlock Holmes zit niet in ’s mans logische vermogens, maar in zijn haarfijn aanvoelen van wat er aan de hand is. En daarbij heeft de detective natuurlijk het geluk dat zijn geestelijke vader Conan Doyle hem -uit welbegrepen eigenbelang- succesvol heeft gemaakt…
In de schaakfilm “Schwarz und weiss wie Tage und Nächte” uit 1978 zegt de daarin ten tonele gevoerde wereldkampioen Koruga iets in de trant van “wiskunde is de wetenschap der logica, schaken de kunst ervan.” De suggestie is duidelijk. Maar klopt die ook? Zijn grootmeesters deduceermachines die in iedere stelling “het” correcte plan deduceren, bescheidener tegenstanders declasserend tot de Lestrades van het schaken? Nee, want zo werkt dit spelletje niet. Euwe heeft ooit geschreven dat er in iedere stelling veel kenmerken zitten die elk op zich verschillende acties suggereren. Het komt er nu op aan te zien welke kenmerken in de gegeven omstandigheden betekenis hebben of kunnen krijgen. De grote schakers vinden -“snuffelend en graaiend” volgens Donner- tijdens de partij hun weg voorwaarts, de kneuzen rennen regelmatig een doodlopend steegje in. Het strikt logische element is tijdens een partij uiteraard voortdurend aanwezig en in principe voor grootmeester en kneus gelijkelijk toegankelijk. Het verschil wordt vooral gemaakt door al of niet verantwoorde keuzes van plannen en de nodige aanpassingen onderweg. De sterken zien en voelen waar het naartoe moet in een bepaalde stelling en hoe die weg het beste afgelegd wordt. Grootmeesters zijn evenmin deduceermachines als onze wonderdetective. Zij zijn gestroomlijnde meesters der inductie.
