Talbelang of Lafheid ? door Max Toxopeus
De gewaardeerde talleider van het derde achttal had, voorafgaand aan de zware uitwedstrijd van 4 december tegen één van de gedoodverfde titelkandidaten van groep 1A van de onderbond, de Delftse vereniging DSC 4, in het peppraatje zijn strijdmacht op het hart gedrukt in het begin van de partij zuinig met de krachten om te gaan. Gebleken was dat in de eerdere ontmoetingen veel van de partijen diep in het middenspel verloren gingen. “Tijd en energie moeten (dus) gespaard worden voor het tweede gedeelte van de partij, tenzij je snel kunt winnen natuurlijk” aldus onze talleider. De raad is ter harte genomen. Zoals inmiddels bekend wonnen we met 5-3 en daar is DSC nog goed mee weg gekomen.
Wat betreft mijn eigen partij: Met zwart wist ik de opening van mijn tegenstander met een paar tactische, schijnbaar onlogische zetten waarvan de dogmatici zouden gruwen, volledig te ontregelen en na zo’n elf/twaalf zetten dacht ik dat mijn stelling in aanmerking kwam voor de aanval en de clausule : “……, tenzij je snel kunt winnen natuurlijk”.
Mijn tegenstander verbruikte ongeveer drie kwartier om de juiste verdediging te vinden maar hij vond hem uiteindelijk wel. Ik kon, de aanval afblazend, nog slechts een dubieuze pion winnen. Maar, zoals dat gaat, het is moeilijk afscheid nemen van een mooie aanval en toen ik uiteindelijk toch gedwongen werd om te retireren kon ik zelfs dit kleine knaapje van de tegenpartij niet meer van het bord verwijderen. Gedwongen om mijn aanvalsstukken in de eigen stelling te hergroeperen wist wit de stukken op zijn beurt te activeren. Geleidelijk aan begonnen zich donkere wolken boven mijn stelling samen te pakken. Hoewel gebrek aan zitvlees één van mijn vele zwakke punten is, bleef ik deze keer aan het bord gekluisterd. Uiteindelijk wierp dat vruchten af. Ik wist op mijn beurt de aanval van mijn tegenstander met een schijnoffer op te vangen, hoewel hij nog wel op een potentieel doorgebroken pion op mijn helft van het bord kon bogen. Mijn schijnoffer was echter duidelijk als een verrassing gekomen voor wit. Hij gebruikte weer zeeën van tijd en ik maakte mij op om voor de tweede keer uit te breken en deze keer beslissend. Mijn tegenstander had de verdediging van zijn koning zwaar gecompromitteerd door alles ten aanval in te zetten.
Omdat ik mij, zoals gesteld, tegen mijn gewoonte in niet of nauwelijks van het bord had verwijderd moest ik het wat betreft het verloop van de wedstrijd hebben van gefluisterd geroezemoes in het gangpad en daaruit had ik opgemaakt dat onze Jaap van den Berg aan bord zes verloren had. Dit laatste bleek later niet het geval te zijn. Integendeel, Jaap had in ons voordeel een fraai punt laten aantekenen (sorry Jaap). Maar voorlopig ging ik dus van de verkeerde veronderstelling uit dat we met 2½ -1½ achterstonden. Toen dan ook onze Ruurd mij kwam mededelen dat ik remise mocht aannemen omdat hij zelf gewonnen stond en de overige partijen tenminste remise zouden worden was dat een hele opluchting. Ik meende dat we dan met mijn remise 4-4 gelijk zouden spelen, een uitslag waarvoor we van te voren getekend zouden hebben. Ik aarzelde. Had ik geweten dat door Ruurd’s overwinning de voorlopige stand 2 -4 in ons voordeel zou worden (i.p.v. 3 -3), ik had zonder meer doorgespeeld. Niet alleen om het punt maar ook om eens een keertje mee te maken wat onze sadistische dr Nepveu doceert: “niets is heerlijker dan je tegenstander achter het bord te martelen en te mangelen, het merg uit zijn botten te zuigen en het zweet op zijn voorhoofd te zien parelen”. Ondanks dat ik ook in tijd een ruime voorsprong had, voelde ik toch ook de beklemmende angst in de gewonnen maar nog steeds gecompliceerde stelling in de fout te gaan (bij afruil zou wit winnen) en daardoor het vermeende gelijke spel te vergooien. Mijn zelfvertrouwen is na een aantal catastrofale misgrepen in het recente verleden bepaald niet toegenomen. Uiteindelijk liet ik dus toch maar de talbelangen heel vroom prevaleren boven mijn eigen ratingbelang en ik accepteerde de remise, daarmee de vermeende 4-4 eindstand veiligstellend. Op de achtergrond speelde ook mee dat, door van DSC een matchpunt af te snoepen, wij onze groepsgenoten van Promotie’s vijfde mogelijk het kampioenschap in 1A binnen bereik zouden brengen. Van ons hebben ze een kleine overwinning toegeschoven gekregen en met dit gelijk spel zouden we DSC als hun voornaamste concurrent voorlopig uit de weg geruimd hebben. Dank zij ons zou het vijfde het nu in eigen hand hebben en door mijn acceptatie van een remise-aanbod zou het mij dus nooit kunnen worden verweten als ze hun kansen niet benutten.
|
Thuis gekomen bleef het toch nog wroeten. Zoals na mijn acceptatie van de remise bleek, had ik zelfs voor wat betreft de taloverwinnnig, risicoloos door kunnen spelen. Bij verlies zou het toch nog 3½- 4½ in ons voordeel gebleven zijn. Maar na een vluchtige analyse bij thuiskomst werd mij duidelijk dat bij doorspelen het punt ongetwijfeld voor mij zou zijn geweest. Ook mijn simpel schaakprogrammaatje (Decade) veegde vanuit de betreffende stelling mijn tegenstander in 6/7 zetten weg en de volgende dag op de club werd dat nog eens bevestigd. Naar buiten toe verontschuldig ik mij met ‘clubbelang’’. ’s Avonds als het donker wordt versomber ik en maak mezelf uit voor lafaard. Hiernaast de stelling die remise werd gegeven. Wit is aan zet en moet binnen een dikke vier minuten (zijn resterende tijd) iets vinden tegen de dreigingen De4 g5 of Lh6. |
|

