Eind December was het weer zover. Groningen. Mini-toernooi.
Laat ik maar direct met de deur in huis vallen. Mijn optreden in het toernooi was niet geslaagd. De partij in de eerste ronde, met Alef Boer, die mij jaren geleden in hetzelfde Groningen te slim af was geweest, was nog wel een opsteker, maar tegen Marcel Wubben in ronde drie schoot ik een zeer verwijtbare positionele bok. In de laatste ronde, tenslotte, wilde ik zo snel mogelijk weg, op grond van de dramatische weervoorspellingen die in de toernooizaal ook nog breed werden uitgemeten, maar hij-daar-tegenover-mij ging er nog eens goed voor zitten en door mijn gejaagde spel volgde de fout vanzelf. Heel fijn!
Als ik Henk Happel ooit nog op de bovenverdieping van het Empire State Building tegenkom, flikker ik hem naar beneden.
Maar de merkwaardigste schaakontmoeting was met een talentje. Talentje? Talentje!
In ronde twee werd ik met Zwart ingedeeld tegen een ventje van twee turven hoog, Hugo ten Hertog. Zijn vader, met wie de elfjarige een sprekende gelijkenis vertoonde, kwam om de vijf minuten aan ons bord kijken. Ik begon al snel iets te vermoeden.
Nu is het geen onverdeeld genoegen om als volwassene te moeten aantreden tegen twee turven hoog met een rating van 1861. Je weet dat je mogelijk een zware middag tegemoet gaat en dat de rating geen betrouwbare afspiegeling is van de speelsterkte van de dreumes. Mocht je verliezen, dan wordt je geen recht gedaan in de waardering. Welnu, binnen ongeveer twaalf zetten wist ik voldoende. Onnauwkeurigheden die mijn tegenstanders in de Winawer vaak al hebben begaan tegen die tijd, bleven keurig achterwege. Ik was degene die uiteindelijk een onnauwkeurigheid beging. Mijn tegenstandertje kon daardoor de koningsvleugel dichtgooien en als ik wilde winnen -en dat wilde ik – dan zou er een speculatief offer moeten komen.
Toen ik een paard op h4 offerde nam mijn jonge opponent het gewoon niet aan en zette zijn eigen plan op de damevleugel door. Om hem te stoppen offerde ik a- en b-pion; ik zou in de aanval dienen te winnen. Dat gebeurde niet en met mooie technische zetten werd ik richting schavot gevoerd.
Na de partij hoorde ik het. Nederlands Kampioen tot twaalf, getraind door Peelen, Oudeweetering en Okkes. P&O&O versus Nepveu: 1-0. Talentje dus.
Ik had tijdens de partij wel opgemerkt dat de jonge schaker zeer beweeglijk was. Hij keek overal, vooral ook op de borden naast het onze. Zijn concentratie was beperkt. Ooit in Oberwart, toen ik tegen een elfjarige Simon Pfandler moest spelen, had ik precies hetzelfde gemerkt. Concentratie als hij aan zet was en verder totaal niet. Wiebel Wip was er niets bij.
In de derde, vierde en vijfde ronde van het toernooi scoorde Hugo niet meer. Misschien waren zijn opponenten gewaarschuwd door mijn gruwelijk lot, misschien was “die Saft raus” zoals onze Oosterburen zeggen. Maar toch… een talentje.
Overigens, ik heb de partij samen met Fritz bekeken en een objectieve reden gevonden om hem niet te hoeven bewaren. Gelukkig maar.
