These, antithese, synthese

In de vroege negentiende eeuw heerste de opvatting dat de winnaar van een schaakpartij diegene was die het BESTE speelde. Je won een partij omdat jouw combinaties mooier, beter waren dan die van je tegenstander. Het was het tijdperk waarin het bijna een morele verplichting was om de offers van je opponent aan te nemen. Wat denk je wel? Dat je tegen MIJ een paard kunt offeren? Ha, kom maar op, halve zool!
Dit was het tijdperk van de wilde partijen. Aanvallen lukte best, verdedigen een stuk minder. Wie in zijn elektronische partijenverzameling klikt op partijen van voor 1850 en er een paar van naspeelt zal al heel snel zien dat de bovenstaande beschrijving niet overdreven is.
Met het optreden van Morphy en vooral Steinitz werd duidelijk dat er bij het schaken meer komt kijken dan aanvallen alleen. Dat je misschien niet alle offers moet accepteren, dat je ook wel eens zal moeten verdedigen, dat je de opbouw van de partij goed moet overdenken, dat een agressieve kip zonder kop nog geen goede schaker is.
Het positiespel werd geboren. Wat Steinitz deed en wat verwoord werd door Lasker werd een must voor alle schakers. Schaken werd gaandeweg een iets omzichtiger aangelegenheid. Het werd duidelijk gesteld dat je slechts kon winnen als je een FOUT van je tegenstander als zodanig herkende en kon afstraffen. Je won niet door eigen voortreffelijkheid, maar door des tegenstanders dommigheid, losjes geformuleerd. Heel goed kun je deze opvatting onderstreept zien in de leerboeken van onze Euwe. Het viel me jaren geleden al op hoe sterk onze grandmaitre in zijn talloze leerboeken de nadruk legde op sterkten en zwakten. Hij legde voor “de leerlingen” de nadruk op de statische kenmerken van een stelling en wat daarmee gebeuren moest. Hijzelf moet een genuanceerder beeld hebben gehad, maar het is duidelijk dat ieder die wil leren schaken daarvan allereerst op de hoogte moet zijn, het abc van het schaken.
In de loop van de tijd kreeg je meesters die dit onderdeel uitstekend beheerste en er ontstond op een gegeven moment een periode, tussen de wereldoorlogen zo ongeveer, dat veel partijen bloedeloos leken. De een maakte geen fouten, de ander kon niet winnen, DUS niet winnen. Ruurd Kunnen heeft in zijn proefschrift aangegeven dat de betrokken partijen (spelers, organisatoren van toernooien) zich hier ongemakkelijk bij begonnen te voelen. Het volgende bedrijf kon dus bijna niet uitblijven.
Na de tweede wereldoorlog ongeveer ontstond de opvatting dat je niet moest gaan afwachten tot je opponent de fout in ging, maar dat je hem actief moest VERLEIDEN tot het maken van fouten. De grote meester hier werd Michail Talj. Doe dat paard in de aanbieding, als niet direct kan worden gezien dat het offer flauwekul is! Je tegenstander is ook maar een mens en kan gewoon niet alles tot op het bot uitvlooien in beperkte tijd. Geef de armste ruimschoots de gelegenheid de fout in te gaan! Als dagen na de partij ontdekt werd dat de tegenstander beslist niet had hoeven verliezen, merkte Talj op dat hij de analyse dan misschien wel had verloren, maar de partij gewonnen …

Het is duidelijk hoe de ideeëngeschiedenis-in-een-notendop- in het schaakspel verlopen is. Verschrikkelijk kort door de bocht, aldus:
Eerst: Ik ben de mooiste, de grootste, de sterkste. Ik speel het beste en ik win.
Dan: Jij bent een sufferd die een fout maakt. Ik win.
Nu: Ik maak het jou moeilijker dat jij mij. Daarom ben ik de mooiste, de grootste, de sterkste en win ik.

These, antithese, synthese.

Scroll naar boven