Toelichting jaarstuk "Materiaal 2008" door Chris Schoon
oftewel: een literaire schaakbijdrage in de Boekenweek dinsdag 11 maart 2008
U mag zich er weer op verheugen dat ik, gevraagd of ongevraagd, een toelichting geef op het verslag van de materiaalcommissaris, dit seizoen tevens de winnaar van de zilveren oliebol. Ik wil graag stilstaan bij regel 1 van de Spelregels van het materiaal.“De witspeler zorgt er als eerst verantwoordelijke voor dat het schaakmateriaal in de kast wordt opgeborgen; als ‘wit’ verzaakt, ruimt de zwartspeler op.” De meest simpele regel van het hele schaakspel. Toch behoeft deze regel voor sommigen van tijd tot tijd uitleg, vooral na afloop van externe wedstrijden. De teamspirit van tijdens de wedstrijd zet zich na de wedstrijd helaas niet door in opruimen van het materiaal.
Zoals op vele regels, zijn er op de opruimregel ook uitzonderingen. Dit in het geval een van de beide spelers door een terecht dan wel onterecht verlies in één veeg alle stukken van het bord maait. Deze speler is vrijgesteld van het opruimen van de stukken maar dient zich wel onverwijld te vervoegen bij de penningmeester om 28,50 euro in te leveren. Tot spijt van de penningmeester komt dit gooi- en smijtwerk, dat zo kenmerkend was voor de tijd dat nog met passie werd geschaakt, niet veel meer voor. De meeste van deze passievolle spelers zijn dan ook niet meer verbonden aan de verenging. Nee, ik noem geen namen; dit zou te pijnlijk zijn voor de heren Wijks, Grims en Nepveu.
Ook hoeven geen stukken te worden opgeruimd als het de ene opponent lukt het schaakbord via het hoofd op de schouders van de andere opponent te krijgen. Wilde dit in de beginjaren van de vereniging nog wel eens lukken, het hedendaagse materiaal is dermate in kwaliteit vooruitgegaan, dat deze wijze van afreageren moet worden afgeraden.
Toch eigenaardig dat een schaker zich opwindt over een verloren partij. U weet het toch, u verliest regelmatig, anders zat u allang bij LSG. Willem Frederik Hermans heeft dit verschijnsel ooit mooi beschreven in Uit talloos veel miljoenen. Hermans, samen met Reve de top-twee van de naoorlogse Nederlandse schrijvers. Er is toch een top-drie, zie ik de a-litterairen onder u denken. Nee heren; de enige Nederlander die het over een top-drie heeft is Harry Mulisch. Het stuk van Hermans gaat over een middelmatige professor. Die wordt vergeleken met een man die erg veel tijd in het schaken stopt, maar middelmatig was en bleef, en dus nooit een kampioen zou kunnen worden. Over deze schaker schrijft Hermans: “Je vraagt je af, wat is het nut van zo’n leven. Wat levert de inspanning van zo’n man nu eigenlijk op? Schaken produceert niets. Schaken laat geen sporen na. Dient nergens toe. Lost geen andere problemen op dan schaakproblemen. Zelfs een middelmatige taxichauffeur kan zich troosten met de gedachte dat hij nuttig is. Hij is andere mensen van dienst, hij brengt ze ergens heen waar ze graag willen zijn. Maar een middelmatige schaker? Die dient uitsluitend om zich door sterkere schakers te laten verslaan. Dat is zijn functie! Want de kampioen, die zou helemaal geen kampioen kunnen zijn als er geen minder sterke schakers bestonden om door hem verslagen te worden.”
Dus heren, speel lekker uw partijtje. Verlies veel, maar niet uw hoofd. En opruimen de spullen, tenzij u door een schaakbord bent onthoofd. Uw hoofd kan dan nog dienstig zijn getuige het laatste couplet uit het Lied van Heer Halewijn: En daar wierd gehouden een banket, en het hoofd werd op de tafel gezet.
Literatuur
Hermans, W.F. (1981). Uit talloos veel miljoenen. De Bezige Bij, Amsterdam.
Lied van Heer Halewijn (auteur en datering onbekend).
□
|
De redactie was dermate onder de indruk van bovenstaande "gevraagde of ongevraagde toelichting" van Chris tijdens de laatste ledenvergadering dat we vonden deze tekst hier niet mocht ontbreken, zodat de enkeling die op de bewuste avond afwezig was er ook kennis van kan nemen.
|
