Laten we het maar eerlijk toegeven: we willen invloed hebben. Onze aanwezigheid op deze aardkloot moet liever niet onopgemerkt blijven. O ja, natuurlijk hebben we invloed. Op onze familie, geliefden etc., maar dat bedoel ik niet als ik zeg dat we invloed willen hebben; we willen het soort invloed dat niet vanzelfsprekend is.
Gerhard Eggink vertelt nog steeds met groot genoegen – spreek hem er maar eens op aan – dat hij iemand tijdens een schaaktoernooi naar huis heeft gespeeld. Zijn tegenstander was na de partij dood- en doodziek, figuurlijk dan. Dat is pas invloed hebben! Je gaat niet met dat doel achter het bord zitten, maar het is schitterend als zoiets gebeurt.
In mijn begintijd als schaker, bij BSG, probeerde ik het uit Nimzowitsj geleerde in de praktijk te brengen. Ueberdecken, ketenstrijd, bezetten van stopvelden, vrijpionnen die achter slot en grendel moeten en de zevende rij absoluut: de schema’s zaten in mijn hoofd. Ik probeerde met dit alles een partij te spelen en dacht alleen aan de concepten van de man met het hoge voorhoofd. Maar in de groep waarin ik speelde zaten ook rakkers die wat minder georganiseerde opvattingen hadden, met wat meer oog ook voor het combinatoire element. In een voor de eerste plaats belangrijke partij werd ik in zo’n twintig zetten volkomen gefileerd door zulk een “ordeloze” rakker. Ik beschouwde mijzelf als de sterkere speler en misschien juist daardoor kwam de les hard aan. Mijn tegenstander had invloed. Ik ken de naam en alle initialen van de beul nog steeds; therapeutisch verantwoord verdringen is er niet bij.
Heb ikzelf nu ook invloed gehad op het schaakbord? Mwah. Een jeugdspeler van wie ik had gemerkt dat hij met wit het koningsgambiet hanteerde werd op zijn wenken bediend. Alleen, ik weigerde een en ander met 2…,Lc5. De jongeman was volkomen verbouwereerd. Nog geen uur en vijfentwintig zetten later kon ik een punt laten bijtekenen. Maar volgens mij heb ik hem toen niet van zijn avontuurlijke openingskeuze genezen. Geen invloed dus. Ook heb ik nooit iemand van de club gespeeld, zoals Bernard Bannink dat vele jaren later deed bij een overgevoelige, altijd in zijn haren wriemelende, clubgenoot. Verder geloof ik ook niet dat ik kunstbroeders op de schaakclub heb overgehaald om het enige correcte antwoord op 1 e4 te spelen. Hm, ik voel een kleine depressie opkomen. Heb ik dan …/helemaal geen…. invloed mogen hebben in deze wereld?
Vele jaren geleden reisde ik samen met grote en kleine aanhang naar het lieflijke Bonn. Op het station werd ik verwelkomd door twee oude bekenden. Nou ja, bekenden… de ene kende ik met naam en toenaam en ik wist dat hij ons zou afhalen. Maar wie was die ander ook al weer? Ja, ik kende hem van het astronomisch instituut, dat was duidelijk. Maar zijn naam was foetsie, wij hadden maar weinig contact met elkaar gehad. Hij stelde zich voor en er volgde de onvermijdelijke Aha-Erlebnis. Leuk dat hij was meegekomen, zo dacht ik, maar waaraan had ik de eer te danken? Voormalig student “R. S.” kon mijn gedachten kennelijk raden en verklaarde droog dat hij zijn proefschrift aan mij te danken had. Dat hij mij daarvoor alsnog wilde bedanken en dat hij daarom onderdeel was van het comité van ontvangst…. … /Wat!??…
Voor wat volgt dient de lezer te weten dat er op het genoemde instituut indertijd een “mad” professor was met wilde ideeën, die zijn studenten schier onmogelijke theoretische thema’s gaf als afstudeeropdracht of promotie-onderwerp. Zo geschiedde ook bij R. en die zat daar flink mee in zijn maag. Welnu, R. herinnerde me eraan, dat ik kort voor mijn vertrek uit Bonn een gesprekje van hooguit vijf minuten met hem had gehad. Daarin had ik R. aangeraden eerst maar eens met iets eenvoudigs te beginnen. Ik had vervolgens een paar concrete suggesties uit mijn mouw geschud. Een daarvan had rechtstreeks dat proefschrift tot gevolg. Het gesprekje kwam heel, heel schuchter uit de spelonken van mijn hersenpan tevoorschijn.
Als ik R. die dag niet had mogen ontmoeten, had ik nooit geweten of ook maar in de verste verte vermoed, dat ik in een paar minuten tijd, bijna tussen neus en lippen door, iemands academische carrière op de rails heb gezet. Voormalig student R. is nu zelf medewerker aan het astronomische instituut in Bonn.
Ik was op het juiste moment op de juiste plaats en heb aldaar en toen de juiste dingen gezegd. Een voorbeeld van het onwrikbare lot, waaraan zelfs de Olympische goden onderworpen waren? Hoe dan ook, een kras geval van invloed door aandacht op het moment dat die gevraagd wordt…..
Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur!
