Waar gaat Promotie naar toe? door Manuel Nepveu
Het behoort tot de taken van Het Bestuur van welke vereniging dan ook om de grote lijnen uit te stippelen voor de toekomst. Waar moet de vereniging over vijf of tien jaar staan? Wat is haalbaar? Wat is wenselijk? Wat is noodzakelijk?
Zonder enige twijfel houdt ook Het Bestuur van onze club zich met deze vragen bezig.
Dat betekent niet dat de overige leden zich angstvallig afzijdig moeten houden in een dergelijke discussie. Integendeel. Ik weet dat elk serieus en goed Bestuur het alleen maar prettig vindt input te krijgen van de waarde “onderdanen”. In dit laatste nummer van het clubblad voor de zomer wil ik wat zaken opwerpen “met het oog op de toekomst” en ik hoop dat ook andere leden niet te benauwd zullen zijn om hun ideeën te spuien, bij voorkeur eveneens in dit blad. Ze mogen mij zelfs tegenspreken. Bij hoge uitzondering, dat lijkt me evident.
Het idee tot dit stuk werd geboren toen ik de statistieken in het vorige clubblad zag, gemaakt door Rob de Vries. Ik wil naar aanleiding daarvan eerst eens een algemene vraag stellen.
1) Hoeveel leden zouden de gezamenlijke Zoetermeerse schaakclubs redelijkerwijs mogen verwachten op basis van het aantal inwoners?
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik op Internet gekeken naar het inwoneraantal van Zoetermeer, het inwoneraantal van Nederland (zonder zijn koloniën, eh…overzeese gebiedsdelen) en het aantal leden van de KNSB. De getallen in kwestie zijn resp. 114.000, 16.000.000 en 24.000. Het blijkt dus dat gemiddeld 3 op de 2000 inwoners van Nederland lid is van de schaakbond. Voor Zoetermeer zou dit betekenen dat de verwachtingswaarde voor het aantal bij de schaakbond ingeschreven leden 171 is. De statistische strooiing op dit te verwachten aantal is 13, de zogenaamde “standaardafwijking”. Op basis van inwoneraantal alleen mag men verwachten dat het aantal personen dat lid is van een van de bij de KNSB aangesloten schaakclubs hier ter stede gelijk is aan 171 ± 13. Afwijkingen van het verwachte aantal van 171 moet men relateren aan de standaardafwijking: een afwijking van drie of meer standaardafwijkingen “riekt”. De vraag is alleen: waarnaar?
Het aantal senioren en junioren bij Promotie is samen ongeveer 150, Botwinnik heeft volgens de verenigings-site zo’n 50 senioren en 75 junioren.
Er is vast en zeker overlap tussen de ledenbestanden van deze twee verenigingen, maar het is duidelijk dat het aantal bij Zoetermeerse clubs aangesloten schakers minstens vijf, zes standaardafwijkingen hoger is dan het te verwachten aantal van 171.
Deze krankzinnige afwijking kan, als boven gezegd, alleen maar betekenen dat er “iets” aan het handje is. Hier volgen een paar suggesties over dat “iets”, niet noodzakelijk in volgorde van oplopende plausibiliteit.
· Misschien is een flink aantal junioren helemaal niet aangemeld bij de KNSB, zodat ze in de berekening officieel niet mogen worden meegeteld. Sleutelwoord: fraude.
· Wellicht heeft “Schaakstad Zoetermeer” een uitermate wezenlijke aanzuigende werking voor de directe omgeving. Dan mogen we bij onze berekening niet uitgaan van het inwoneraantal van Zoetermeer alleen, maar moeten we een veel groter gebied als “gesloten” eenheid nemen (met alle clubs binnen dat gebied).
· Mogelijk heeft de Randstad een aanmerkelijk grotere “ledendichtheid” dan het landelijke gemiddelde van 3 op 2000.
Hoe het ook zij, we hebben absoluut niet te klagen over de omvang van ons ledenbestand. Met Botwinnik als tweede grote vereniging in de buurt lijken wij zelfs ruim in onze leden te zitten.
2) Zijn er voor Promotie gevaren te voorzien die de club om zeep kunnen helpen?
Grotere “organisatorische eenheden” plegen doorgaans aandacht te besteden aan de kwestie van overleven, vaak eufemistisch “continuïteit”genoemd. Waarom Promotie dan niet?
Ik ga er met reden vanuit dat er van binnen de club geen letale dreigingen zijn. Zolang ik mijn misantropische stukjes kan schrijven zonder bij acclamatie gelyncht te worden, zolang het aantal personen met separatistische neigingen beperkt is, zolang er uitsluitend zware mishandeling plaatsvindt van de schaakkunst en niet van de spelers, is er geen “binnenlands gevaar” te duchten.
Maar hoe zit het met de boze buitenwereld? Noem eens een dwarsstraat: als organisatorische kaders als HSB of KNSB zouden instorten zou dat ook gevolgen hebben voor Promotie. Maar is het realistisch om zulk een ineenstorting te verwachten? Op dit moment hebben vrijwel alle sportbonden met teruglopende ledenaantallen te maken. Een vijfentwintig jaar geleden had de KNSB meer dan 30.000 leden en nu is het ledenbestand nog maar tachtig procent hiervan. Wanneer de daling blijft voortgaan, mag men verwachten dat instandhouding van HSB en KNSB relatief steeds duurder wordt. Oplopende contributies zouden dan voor een probleem kunnen zorgen. Maar het opheffen van de genoemde bonden, de complete ineenstorting van het georganiseerde schaken, dat is wel heel kras. Ik zie dat nog even niet gebeuren.
Toch zie ik inderdaad een mogelijk reëel gevaar voor onze club, dat nauw samenhangt met… …ons succes! Het succes van onze club bestaat hieruit -en ik spreek nu even alleen over het seniorenschaak- dat er een mix is van belangen die alle goed tot hun recht komen. Er zijn veel resultaatgerichte spelers bij Promotie, maar ook de schakers bij wie de gezelligheid, het “avondje-uit” met sigaartje en glaasje, mogelijk nog belangrijker zijn. Zeker voor deze schakers is een bar waar gerookt en geroezemoesd kan worden meer dan een bijkomstigheid. Anderzijds willen de spelers bij wie de kwaliteit van hun spel op de allereerste plaats komt rustig kunnen schaken. Zoals de discussie over de stelselmatige geluidsoverlast op de speelavond tijdens de laatste ledenvergadering heeft duidelijk gemaakt, zou deze “externe factor” het nodig kunnen maken om van speellokaal te veranderen. Maar zelfs als het huidige probleem ditmaal nog zonder totale volksverhuizing op te lossen valt, feit blijft dat je als vereniging wel eens gedwongen kunt zijn te verkassen, zoals we trouwens al ervaren hebben. Daar zit een potentieel ernstig probleem voor het voortbestaan van de club zoals we die kennen.
Immers, waar haal je binnen Zoetermeer een locatie vandaan die ruimte biedt aan 80 man, met een bar, op een dinsdagavond, die ook nog eens betaalbaar is? Onze onvolprezen secretaris heeft al een heroïsche strooptocht gehouden langs allerhande lokaliteiten en het is daarbij duidelijk geworden dat Promotie voor een groot probleem staat. Ofwel je kunt niet verkassen, ofwel je moet eisen gaan schrappen. Maar het noodgedwongen laten vallen van een of meer eisen verandert (de samenstelling van) de schaakclub.
Een eventueel noodzakelijke verandering van speelavond zal zeker leden gaan kosten, maar ik verwacht inderdaad geen dramatische uittocht, gelet op de reacties tijdens de algemene ledenvergadering jl. Maar als de bar geschrapt wordt van het eisenlijstje wordt de zaak anders. Er zal geen gelegenheid meer zijn tot roken, het luidkeels in de grond stampen van de opponent na de partij kan niet meer plaatsvinden. Alcohol zal niet meer geschonken (mogen) worden. Kortom, de gebruikelijke gezelligheid is weg. Ik zou mij goed kunnen voorstellen dat de samenstelling van de club en dus zijn karakter zich zou wijzigen. Maar niet alleen de verstokte nicotinisten zien de kwaliteit achteruit gaan. Ook de gezondheidslievende gezelligheidsschaker ziet wellicht geen dringende reden nog langer lid te blijven van Promotie: de club heeft ingeboet aan de kwaliteit die hij zoekt. Ik heb geen diepte-interviews afgenomen bij leden van wie ik vermoed dat ze tot de gezelligheidsschakers behoren, maar je kunt op je klompen aanvoelen dat het ledental afneemt en prestatiegericht geteisem de overhand krijgt.
Het moeten zoeken van speelruimte buiten Zoetermeer, tenslotte, is ronduit pijnlijk en zal zonder de geringste twijfel meer dan slechts een handjevol leden gaan kosten.
Het Bestuur zal daarom te allen tijde in de gaten moeten blijven houden waar er aanvaardbare uitwijkmogelijkheden opdoemen en hoe het eisenlijstje aangepast kan worden zonder schade te doen aan (het karakter van) onze vereniging. Met nadruk zeg ik erbij dat dit monitoren ook moet plaatsvinden wanneer er nog niet direct iets aan het handje is. Ik benijd U niet, heren van Het Bestuur!
3) Wat kan Promotie redelijkerwijs verwachten vanuit de Jeugdafdeling?
Deze vraag stel ik aan de orde omdat er met enige regelmaat gemor te horen is over de maar zeer matige doorstroming van de jeugd naar de hogere echelons van de club.
Op het moment zijn er 70-80 jeugdleden en dit aantal is in het afgelopen decennium “standaard”. Toch zien we dat het aantal leden dat zich per jaar bij de senioren aanmeldt steeds op de vingers van een hand te tellen is. Is dat zorgelijk? Ik denk eigenlijk van niet, dwz je kunt weinig anders verwachten. Laat ik dat toelichten.
- Lang niet alle juniorleden zijn uit sterke eigen motivatie gaan schaken. Pa en Moe spelen hier een rol. Ze laten kindlief kennismaken met schaken -de kosten vallen relatief mee. Maar er zijn tegelijkertijd vaak ook andere sporten, als voetbal, basketbal, & die worden aangeboden. Na een aantal jaren zal zoon – of dochterlief een definitieve keuze maken en het schaken moet dan de concurrentie aan met andere tijdpasseringen…
- De schaaklessen via het Stappenplan zullen aanvankelijk een grote stimulans zijn, maar als de eisen langzaamaan hoger worden en de diploma’s niet meer gemakkelijk “binnenstromen” valt zo menige junior af.
- Bij de meisjes speelt mogelijk een rol dat het vooruitzicht van een uitzonderingspositie bij de senioren niet aanlokkelijk is.
U ziet, het kost weinig moeite om redenen aan te geven waarom de doorstroming naar de senioren niet al te groot is.
En áls de junioren zich aanmelden, zijn nog lang niet alle hobbels op weg naar de hogere regionen genomen.
- Ze moeten even slikken als ze merken dat veel oudjes een goed gebit hebben en fiks kunnen bijten: de nieuwe senioren moeten vaak weer onderaan de ladder beginnen. Geringe voortgang en/of teleurstelling over de resultaten eisen dan hun tol: de nieuwe seniortjes kappen ermee. Neen, namen noem ik niet.
- Talentvolle spelers, vervolgens, merken al heel snel dat er zo menige club is in onze nabijheid die flink kan trekken. Daar is bijvoorbeeld LSG met vier teams die landelijk uitkomen. Eelco Kuipers en Sven Bakker zijn we aan deze club kwijtgeraakt.
- Als de nieuwe senioren hun vleugels uitslaan en bijvoorbeeld op studie gaan in Delft, Utrecht, of Groningen zullen ze daar met gemak clubs vinden waar men ook -en vaak beter – met de houtjes overweg kan.
In het licht van het bovenstaande is duidelijk dat het niet eenvoudig lijkt om eigen kweek door te laten dringen tot de hogere teams en ze daar dan ook langere tijd te houden. Maar laten we eens concreet worden: hoeveel personen uit de eigen originele Promotie-kweekvijver hébben daadwerkelijk hun weg naar Het Eerste gevonden? Laat ik eerst de namen noemen van leden die vast in Het Eerste spelen of hebben gespeeld gedurende de laatste twintig jaar. Ik kom tot de volgende namen: Alberts, Ahlers, Bannink, Blankespoor, Bakker, Bos, Blok, Broekman, Bij de Vaate, van den Bergh, Coene, Glasbergen, de Hoogh, Ten Hoor, Hoorweg, Kalkwijk, Kuipers, Kunnen, Mostert, Meijer, Nepveu, Noordhoek, Sibbing, de Waal, Wassenaar.
De meesten heb ik wel te pakken, dacht ik zo. Welke van deze personen zijn Promoties eigen kweek? Dat zijn Bannink, Bakker, Bos, Blok, Coene, Kuipers, Noordhoek en Wassenaar.
Het blijkt dus dat maar liefst een derde van de spelers die in de afgelopen twintig jaar minstens een seizoen vast in Het Eerste zijn opgetreden ooit Promotie-jeugd is geweest.
Ik kan dat waarlijk geen slechte score vinden.
En hoeveel aanstormende jeugd hebben we in de afgelopen twintig jaar gehad, waaruit deze gigantjes zijn geselecteerd? Hier moet ik een schatting maken, waarbij ik de grenzen ruim neem: 20-40 spelers zijn uit de guppenvijver overgekomen. Bij een “turn around time” van vijf jaar en een permanente aanwezigheid van 75 jeugdleden zou de guppenvijver in deze twintig jaar zo’n 300 schakertjes bevat hebben. Wederom kan ik in het licht van deze schattingen, én de boven beschreven hindernissen, de doorstroming naar Promoties vlaggenschip acceptabel noemen. En men mag een pluim geven aan de talloze lesgevers van de jeugd – maar dit terzijde.
Ik hoop te hebben aangegeven, op grond van aannemelijke cijfers, dat gemor over slechte doorstroming van de jeugd niet terecht is. Deze conclusie had ik eerlijk gezegd niet helemaal verwacht toen ik aan dit artikel begon, want ik herinner me dat “wij” Oberwart-gangers van het afgelopen jaar onder het genot van vele grote glazen pils op een zonovergoten terras ontiegelijk hebben zitten kankeren naar aanleiding van dit punt. Niet terecht, heren!
4) Wat mag Promotie in de toekomst verwachten ten aanzien van zijn hoogste tallen?
Als we de recente geschiedenis overzien kunnen we zeggen dat Het Eerste een stabiele tweedeklasser is in de landelijke competitie. Qua eindklassering zijn er wel eens uitschieters, maar doorgaans komt Promotie in de middenmoot terecht. Hoewel een enkeling zich wel eens afvraagt of we niet naar de eerste klas zouden kunnen, is er bij mijn weten niemand die vindt dat wij dat zouden moeten. Eerlijk gezegd geven de ratings van onze “top-acht” ook geen aanleiding hier een halszaak van te maken. We hebben al besproken dat eventuele echt sterke jeugdspelers meestal naar elders vertrekken. Daar hebben zij betere doorgroeimogelijkheden. Zonder deze sterke (jeugd)spelers kunnen we het wel op onze buik schrijven om een stabiel eerste klasse team te krijgen. Broekman heeft me ooit voorgerekend dat we met de sterkste schakers die in Zoetermeer wonen met gemak een eerste klasse team zouden kunnen vormen. Probleem is alleen dat die spelers vaak bij andere clubs spelen (vriendjes, voorgeschiedenis) of in het geheel niet meer.
Tot nu toe heeft Het Eerste steeds wel vers bloed van buiten gekregen. Maar dat gebeurt natuurlijk niet structureel. Neen, ik zie dit team nog vele jaren een stabiele tweedeklasser blijven. Maar dat is het dan ook.
Voor de vierde keer, als ik me niet vertel, komt er nu een tweede team in de KNSB bij. In het verleden bleek Het Tweede te groot voor het servet en te klein voor het tafellaken. Na een of twee seizoenen martelen in de KNSB volgde steeds degradatie. Kunnen we eigenlijk wel verwachten op stabiele wijze twee teams in de KNSB te houden?
De eis dat spelers voor zulke teams minimaal een rating moeten hebben van 1850 om lekker te kunnen meedoen is niet echt te zot voor woorden. Enig zoekwerk op Internet laat zien dat 2700 van de 24.000 bondsleden in deze categorie vallen. Promotie met 80 senioren zou ongeveer 9 ± 3 spelers in deze categorie verwachten. Het zijn er beduidend meer en dat behoeft dus een verklaring. Welnu, bij Promotie is een flink aantal sterkere spelers gaan spelen nadat er een team van Promotie in de KNSB belandde (Hoorweg, Bij de Vaate, de Waal, Sibbing, Coene, Alberts,…). De bovenstaande simplistische berekening maakt intussen wel duidelijk dat niet de grootte van Promotie garant staat voor het handhaven van twee teams in de KNSB: essentieel is iets anders en dat is m.i. de schaakkwaliteit van een niet al te kleine spelerskern.
Zal de aanwezigheid van die kern voldoende spelers blijven aantrekken die in de hoogste teams meekunnen? Laten wij het hopen, want het staat nu al vast: als Het Eerste invallers nodig heeft moet daarvoor Het Tweede geplunderd worden. Het Tweede moet dus zijnerzijds kunnen graaien in een pool waarin voldoende spelers zitten die in dat team ook mee zouden kunnen, nietwaar?
Heb ik bij de beantwoording van de vorige vragen nog een zekere stelligheid aan de dag gelegd, hier heb ik deze stelligheid niet. Uit zadistische (ja, met een z, dat klinkt mooier) motieven is het wel aardig om de jongelui van Het Tweede een jaarlang te zien spartelen en op het laatste nippertje verzuipen, maar voor de club is dat niet wenselijk. Ik houd mijn hart vast.
Een wijze raad van een gelouterde: misschien moeten jullie, jongelui van Het Tweede, na de wedstrijd gezamenlijk gaan eten, zoals de krasse knarren van Het Eerste dat doen. Ik geloof niet in hekserij, astrologie en bioritmiek, maar wel in Het Grote Eten achteraf, een reinigend ritueel, een vreugde voor de winnaars, een balsem voor hen die vielen. Aan de bak!
