Onze Boliviaanse columnist heeft in korte tijd twee onderwerpen bij de kop genomen die direct met elkaar te maken hebben. De laatste schaker die het licht mocht uitdoen in het verhaal van 22 december 2007 en de schaker die met zijn gezin niet naar het pretpark kon in dat van 5 april 2008 hebben te kampen met eenzelfde fenomeen: geringe waardering. De hoofdredacteur die de schaakrubriek wegdoet (en de laatste schaker het licht uit laat doen) miskent de waarde van het schaken als kunstuiting en daarmee de schaker. Een schaakbond die de beroepsschaker financieel krenterig bejegent, waardeert diens, meestal zwakke, positie niet op juiste wijze.
Waardering speelt in ons aller leven op verscheidene niveaus een rol, maar nergens kan die waardering zo idioot uitpakken als in werk en beroep. De rechter heeft een hogere sociale status, meer maatschappelijke waardering dan de stratenmaker. De socioloog, de econoom en de historicus zullen je alledrie een reden kunnen geven. Ik verwacht dat de econoom de “redelijkste” reden geeft, een reden gespeend van iedere vorm van eigendunk. Maar in onze maatschappij bestaan verschillen in waardering waarvan de redelijkheid ook voor de econoom moeilijk te verklaren zal zijn. De waardering waarover ik schrijf wordt meestal niet met zoveel woorden uitgesproken, maar blijkt simpelweg uit de karakteristieke hoogte van loon, salaris, courtage, honorarium. Alleen al uit deze termen blijkt het verschil, geen stratenmaker ontvangt ooit een honorarium.
In Nederland gaat de meeste waardering uit naar degene die verantwoordelijk is voor geld of de inzet van mensen. Je chef verdient meer dan jij. Zijn werkzaamheden worden hoger gewaardeerd dan die van jou. Het is niet ondenkbaar dat jouw kennis en kunde aantoonbaar uitzonderlijker zijn, een langer leertraject en grotere persoonlijke investeringen vereisen, ook nog eens volstrekt onmisbaar voor de organisatie waarin je werkt. Maakt niet uit, de cententeller met zijn spreadsheets wint het qua waardering. De uitstekende vakman die meer wil verdienen moet onverwijld achter de spreadsheets, kan niet én in zijn stiel blijven én financieel doorgroeien. In de Verenigde Staten is dat niet zo en worden werkzaamheden op hun eigen merites beoordeeld en gehonoreerd. Deze minder rigide kijk verklaart misschien de reactie van Fischer in 1972, toen die ontdekte dat er in de televisierechten een veelvoud omging van wat hij als “spelbepalende” persoon kon opstrijken. Hij vond toen dat er geld bij moest -en zo geschiedde.
Daarmee zijn we weer in het gebied van de schone kunsten terechtgekomen. De Zwagermannen, de Palmpjes, zij worden bij alle mogelijke gelegenheden in het zonnetje gezet en van literaire prijzen voorzien. Zij vormen dan ook onderdeel van een geoliede commerciële, publicitaire machine. Het schaken vormt een niche van gering economisch belang. Hier geen Paarden- of Loperbal, geen ECO-schaakliteratuurprijs. De beroeps zijn voor hun koestering volledig aangewezen op ons, minder begaafde schaakliefhebbers. Het is daarom aan ons minder schriel te zijn tegenover degenen wier prestaties ons met eerbied vervullen. In de column van 5 april van dit jaar suggereert onze Boliviaanse columnist om de zuurverdiende aalmoezen maar in Bolivia uit te geven, waar je euro immers veel meer dan een daalder waard is. Hij verzuimt helaas deze olijke noot vergezeld te laten gaan van een serieuzere beschouwing waaruit begrip voor de kern van het probleem blijkt. Toppers verdienen waardering, geen neerbuigend advies over hoe zij het beste het hoofd boven water kunnen houden.
