Wally Tax is dood. In heel wat huiskamers zijn de afgelopen dagen weer de oude platen van The Outsiders gedraaid. Mijn gedachten gingen onmiddellijk terug naar maart 1967. In de paasvakantie werd in Rotterdam het jeugdkampioenschap voor onderbondteams gespeeld. Die wedstrijd was bestemd voor spelers die geen kampioen van hun onderbond waren geworden, dus eigenlijk voor verliezers. Ik speelde met wisselend succes aan het eerste bord van de Friese Schaakbond. De eerste ronde ging goed met een remise tegen Jos Willemse van de HSB die het jeugdkampioenschap had verloren aan Jan Timman. In een Franse partij had ik met wit op c5 en f6 geslagen en vervolgens de zwarte centrumpionnen op waarlijk Nimzowitschiaanse wijze met mijn torens en paarden geblokkeerd. Willemse is jarenlang een sterke speler in de Haagse regio geweest. Vorig jaar is hij plotseling gestorven. Mijn score in Rotterdam was matig: 3 uit 7. Zoals gebruikelijk produceerde ik een afschuwelijke prutspartij – in de laatste ronde werd ik in 15 zetten in de pan gehakt door Nico Doelman van de Twentse Schaakbond. De voorlaatste ronde leverde een remise in 7 zetten op tegen J. Huijzer van RSB 2. Ik bewaar warme herinneringen aan dit toernooi. Het was stralend weer. Na mijn partij in de een na laatste ronde ben ik de stad ingelopen en kwam daar een groepje hippies tegen. Onvoorstelbaar, hippies in Rotterdam, maar ik wist toen niet beter. Een mooi meisje had achter op haar spijkerjack WALLY geschreven. Sindsdien ben ik fan. Of Wally Tax kon schaken weet ik niet, maar het zou me niet verbazen. Indirect is zijn naam onlosmakelijk met het schaken verbonden door het boek Geheime Liefde van zijn in 1984 overleden vriendin Laurie Langenbach. Het boek is geschreven in 1977 en gaat over de heftige, onbeantwoorde liefde van de schrijfster voor een niet bij naam genoemde man. Het wekte nogal wat verontwaardiging vanwege het openlijke verlangen naar seks, iets wat nette vrouwen destijds verborgen dienden te houden. De man beantwoordde de liefde van de schrijfster niet echt. Hij behandelde haar arrogant en instrumenteel. Eén keer zijn ze met elkaar naar bed geweest. “Jij zei: ‘R. heeft me verteld dat jij hier tegenover woont. Is dat zo?’ ‘Ja.’ ‘Mag ik dan bij je slapen?’ Ik keek je niet-begrijpend aan. ‘Ik moet om tien uur met de trein, en het station is hier om de hoek …'” Ondanks deze botheid zag de schrijfster haar verlangen eindelijk in vervulling gaan toen zij haar kamer binnengingen. “Want wachtte niet alles hier al die tijd op jou? Die irissen in de witte vaas, stonden die daar niet voor jou? Het schaakbord op de tafel wachtte op jou en de foto’s van mijn mooiste vrienden hingen er om jou te laten zien dat ik niet weerloos was.” De begeerde man was niet minder dan Jan Timman. Deze was zich van de prins geen kwaad bewust. Hij kende de schrijfster nauwelijks. Toch was hij trots op het boek. Larsen had hem ermee gecomplimenteerd: Het mooiste wat een vrouw je kan geven is dat ze een boek voor je schrijft. Wally en Jan. Ze leken wel een beetje op elkaar in maart 1967. Lang haar, een glad, niet stoer gezicht, jong, getalenteerd en ambitieus, geliefd bij de meisjes en aan het begin van een succesvolle carrière. Later werden de verschillen groter. Wally is dood, maar gelukkig hebben wij Jan nog.