Wat een meevallers…
Wat een meevallers…! Manuel Nepveu
Op vijftien oktober, ruim voor tien uur ’s ochtends, verzamelden zich negen personen nabij de koepel aan de Voorweg, de acht spelers van het eerste achttal en Frans Martens. Het was lekker weer, goed schaakweer vooral, met een bleek zonnetje en een grijsblauwe lucht. Inwoners uit Australië schijnen depressief te kunnen worden van zoiets, maar wij, opgegroeid in de zompige Delta van de Rijn met dreigende luchten, vinden dit heel acceptabel weer.
De reis verliep voorspoedig. Ik zat in de auto bij Willem en genoot van het voorbijrazende landschap. Veel Duitse auto’s vergezelden ons op onze tocht naar Zeeland. Even was het nog de vraag of Paulien, die als enige Bannink in toom hield, onze altijd verstrooide FM wel op tijd naar het verre Middelburg kon laveren, maar dat lukte zowaar prima.
De grote vraag was: To Ikonnikov or not to Ikonnikov. Nou, hij was er, grootmeesterlijk en wel. Noordhoek vocht als een leeuwtje, maar zijn klauwtjes werden hem vakkundig uitgetrokken. Van de rest van de partijen heb ikzelf niet heel veel gezien. Mostert stond twijfelachtig na de opening, dacht ik, maar kon uiteindelijk -hoe weet ik niet- een gewonnen eindspel bereiken. Dat eindspel won hij niet en dat was erg jammer, zoals even later zou blijken. Broekman werd in de gelegenheid gesteld het Stauntongambiet te spelen en won dus. Ook Jan van den Bergh won en nogal overtuigend, voorzover ik dat op mijn korte excursies langs de borden kon zien. Wat er precies gebeurde bij Ahlers en bij Paulien weet ik niet, maar zij remiseerden met hun tegenstanders. Bannink, die natuurlijk nooit zelf had moeten autorijden, verloor. En nu kwam het aan op wat ik deed. Shit! Welnu, ik deed het aanvankelijk voortreffelijk en kwam met de zwarte stukken goed te staan. Ikzelf dacht ondertussen dat ik rond zet 16 wel gewonnen stond. Maar het noodlot sloeg toe: in een fase van snel spelen ging er onverhoeds een pion verloren. Op dat moment waren alleen de partijen van Bannink en Mostert nog aan de gang. Toen het een tijdje later 3½ -3½ stond, zat ik een eindspel te keepen dat verloren was. De waarheid van de stelling was inmiddels in volle omvang tot me doorgedrongen: ik zou, hoe dan ook, uiteindelijk een tweede boer moeten missen. De tegenstander zag dat ook, en weigerde verder opzichtige fouten te maken. Ik gaf uiteindelijk op. Braak!
Het team had verloren. Daar had ik aan meegeholpen, maar niet als enige. Wat een meevaller…!
De terugreis werd aanvaard. Het vlakke landschap, dat mij persoonlijk wel bekoren kan, had iets minder mijn aandacht dan op de heenreis. In een Chinees had ik ook even geen zin.
Mijn partijnotatie was al in Middelburg ten prooi gevallen aan het doorspoelmechanisme van een keurige wc, maar dat belet de ware schaker natuurlijk niet om achteraf toch Fritz even te raadplegen.
Tot mijn opluchting bleek toen dat ik nog niet huizenhoog gewonnen had gestaan, zoals ik dat tijdens de partij en op de lange terugtocht wel dacht. Wat een meevaller…!
Hm.
